Verantwoording
In 1977 gaf Willem Frijhoff met zijn studie over vier Hollandse priesterbibliotheken uit de zeventiende eeuw een aanzet tot systematische bestudering van bewaard gebleven bibliotheekinventarissen van parochiegeestelijken als bron voor het onderzoek naar de intellectuele vorming van katholieke zielzorgers en de invloed die zij hadden op de vorming van de onder hun hoede staande gelovigen.W. Frijhoff, "Vier Hollandse priesterbibliotheken uit de zeventiende eeuw", in: Ons Geestelijk Erf, LI (1977) 198-302. Deze studie heeft weinig navolging gekregen, hetgeen waarschijnlijk hoofdzakelijk is te wijten aan het feit dat er weinig geschikte bibliotheekinventarissen zijn te vinden om een dergelijk onderzoek op te baseren, een probleem dat door Frijhoff al werd onderkend. Daarom is het des te verheugender dat in het archief van de norbertijner abdij Tongerlo in België, een groot aantal bibliotheekinventarissen is bewaard gebleven, waaronder vele afkomstig van abdijheren die in de verschillende Noordbrabantse parochies van deze abdij werkzaam waren. Deze boekenlijsten zijn aan te treffen in inboedelinventarissen met opgaven van alle, zowel in het klooster als in de pastoriën in gebruik zijnde goederen, die door de norbertijnen ieder jaar moesten worden opgesteld, krachtens de regels van de orde betreffende de naleving van de gelofte van armoede.
Het fonds inboedelinventarissen van kloosterlingen in het archief van de abdij Tongerlo bestrijkt de periode 1521-1940 en bevat voor de zestiende en de zeventiende eeuw alleen al meer dan 965 inventarissen waarvan het grootste deel, zo'n 562, afkomstig is uit de eerste helft van de zeventiende eeuw.Abdijarchief Tongerlo (AAT), Sectie IV, bundel 134-150. De bundels 134-139/2 hebben betrekking op de periode 1521-1700. Dit overweldigende aantal inventarissen biedt niet alleen de gelegenheid het boekenbezit van afzonderlijke, in de zielzorg werkzame Tongerloenses te analyseren, maar verschaft ook de mogelijkheid door vergelijking van inventarissen onderling, inzicht te verkrijgen in de manier waarop de Tongerlose pastoors in de loop der jaren hun bibliotheken opbouwden.
In deze scriptie wordt een begin gemaakt met de bestudering van de boekenlijsten van de Tongerlose norbertijnen in parochiedienst zoals die zijn te vinden in de bewaard gebleven inventarissen, volgens de door Frijhoff vastgelegde maatstaven. Uiteraard moest daartoe uit de grote hoeveelheid inventarissen een keuze worden gemaakt. Allereerst werden alle inventarissen bekeken van Tongerlose abdijheren die in de zeventiende eeuw in de Noordbrabantse parochies van de abdij werkzaam waren. Daarbij werd vooral gelet op continuïteit onder de beschikbare inventarissen, zowel chronologisch als geografisch. Uiteindelijk werd gekozen voor de inventarissen van vier opeenvolgende pastoors van de parochie Tilburg uit de eerste helft van de zeventiende eeuw, te weten: Petrus van Emmerick (1616-1625), Adrianus Eynthouts (1625-1632), Augustinus Wichmans (1632-1643) en Augustinus van Dijck (1643-1664), omdat de van hen bewaard gebleven inventarissen het meest representatief werden geacht. Van hen zijn namelijk 38 inventarissen bewaard gebleven, niet alleen uit de periode waarin ze te Tilburg de zielzorg uitoefenden, maar ook uit de jaren waarin ze nog in de abdij verbleven of in een andere parochie actief waren. In totaal komen in deze 38 inboedelinventarissen 21 boekenlijsten voor, waarvan er vier in de parochie Tilburg werden opgesteld, namelijk in de jaren 1621, 1635, 1655 en 1658.
De doelstelling van dit onderzoek is drieledig. Centraal staat de vraag welke boeken, van welke auteurs de Tilburgse pastoors lazen en hoe hun bibliotheken kunnen worden gekarakteriseerd. Daarnaast wordt aandacht besteed aan de ontwikkeling in hun persoonlijke of beroepsmatige belangstelling voor bepaalde literatuur en wordt gekeken naar het verband tussen hun bibliotheken onderling. De indeling van deze scriptie is als volgt. Het eerste hoofdstuk geeft een uiteenzetting van de factoren die voor een belangrijk deel de leefomstandigheden van de vier pastoors van de parochie Tilburg bepaalden, het tweede hoofdstuk bevat de analyse van de door de vier in hun inboedelinventarissen opgegeven bibliotheken en na een korte algemene nabeschouwing volgen enkele tabellen met de gegevens van de behandelde boekenlijsten en in de vorm van bijlagen de boekenlijsten zelf met een identificatie van de opgegeven auteurs en titels. De boekenlijsten worden in de tabellen en de bijlagen in verband met verwijzingen aangegeven door middel van Romeinse cijfers. Vooral bij het bestuderen van de tabellen kan dit moeilijkheden opleveren. Daarom gaat aan de tabellen een concordantietabel vooraf. De tabellen bevatten informatie over de in de bibliotheeklijsten opgegeven auteurs (A) en hun werken (W), weergegeven in aantallen en in percentages. Deze percentages werden met een nauwkeurigheid van één decimaal berekend. Ze werden niet bijgesteld om hun eventueel, vanwege toegepaste afrondingen, afwijkende som op precies 100,0 % te laten uitkomen. In de tabellen met gegevens over de tijdsindeling van de auteurs werden de opgegeven schrijvers ingedeeld naar gelang het grootste deel van hun levensjaren in een van de opgevoerde tijdvakken kon worden geplaatst. Dit bracht met zich mee dat de categorieën van deze tabellen zodanig moesten worden gedefinieerd, dat ze elkaar voor een deel overlapten. In de tabellen met een overzicht van de herkomst van de auteurs werden alleen de gegevens over de klassieke auteurs, de kerkvaders en de vroeg-christelijke auteurs achterwege gelaten en niet ook die van de auteurs uit de Middeleeuwen, zoals Frijhoff deed in zijn onderzoek.Frijhoff, 209-210. Tot het niet opnemen van de informatie over de herkomst van de auteurs uit de periode vóór 500 werd besloten toen bleek dat van de meesten van deze schrijvers het geboorteland niet nauwkeurig genoeg kon worden vastgesteld.
Bij de in de bijlagen weergegeven tekst van de 21 boekenlijsten werd ter coördinatie van de annotatie en in verband met verwijzingen een nummering aangebracht. Aan het aantal nummers van de lijsten valt echter niet het aantal opgegeven werken af te lezen, want vaak worden achter één nummer twee of meer werken tesamen beschreven. Het totale aantal boekenopgaven van een lijst ligt dus vrijwel altijd hoger dan de nummering aangeeft. De in de tekst voorkomende afkortingen werden zoveel mogelijk opgelost. Deze oplossingen staan tussen ronde haakjes, evenals de aanvullingen van de titels. De bibliotheeklijsten bevatten geen gegevens over de plaats en het jaar van uitgave van de opgegeven boekwerken. Daarom werd in de annotatie zoveel mogelijk van elk werk de oudst bekende editie aangegeven en betreffende voor het eerst in het buitenland uitgegeven werken, ook de eerste in de Nederlanden of in het nabije Keulen verschenen druk. Bij zeer oude werken, zoals die van klassieke auteurs, kerkvaders en vroeg-christelijke auteurs, kon niet altijd de oudst bekende druk worden achterhaald. Deze boekwerken werden bovendien in de loop der jaren diverse malen ter perse gelegd, waardoor er veel verschillende edities van beschikbaar waren. Bij deze boeken treft men de aanduiding "vele uitgaven" aan. Volledigheidshalve werd daar echter wel informatie over een aantal edities aan toegevoegd, zowel van incunabelen en postincunabelen als van latere drukken. Van veel werken werd door de pastoors alleen de auteur of alleen de titel vermeld, hetgeen de identificatie soms bemoeilijkte. Toch werd zoveel mogelijk getracht ook voor deze onvolledige opgaven een oplossing te vinden. Alleen van de auteurs of de titels waarvan de identificatie erg onzeker was, werden de gegevens niet opgenomen in de tabellen en de analyse.
Tenslotte wil ik langs deze weg graag mijn dank betuigen aan de Tongerlose abdijgemeenschap voor het gastvrije onthaal bij mijn vele bezoeken aan het abdijarchief en aan de archivaris, Dr. L. C. van Dijck OPraem., die mij steeds welwillend van dienst was en wiens vriendelijke belangstelling mij stimuleerde.
Wim van Dongen
Tilburg, 25 juni 1988
