Nabeschouwing

In deze studie komt duidelijk naar voren dat bij de norbertijnen van de abdij Tongerlo, het verbod op privé-bezit krachtens de gelofte van armoede geen belemmering vormde voor de opbouw en samenstelling van een zeer persoonlijke, eigen bibliotheek. Dit blijkt uit het feit dat van de Tilburgse pastoors kan worden nagewezen dat ze een groot deel van de boeken die ze gebruikten lange tijd bij zich hielden en dat ze eerder voorkeur gaven aan werken die ze zelf hadden uitgezocht dan aan werken die hun voorgangers hadden vergaard.
Betreffende die literatuurselectie kan geconstateerd worden dat drie van de vier Tilburgse pastoors aanvankelijk vrij veel werken in het genre profane literatuur bezaten, met name op het gebied van de taal- en letterkunde, en dat in hun bibliotheken pas geleidelijk aan de categorieën van het genre kerkelijke literatuur qua belangrijkheid de overhand kregen. Alleen de bibliotheek van Van Dijck droeg van het begin af aan een overwegend kerkelijk karakter. Het verhoudingsgewijs grote aantal taal- en letterkundige werken in de eerste boekenlijsten van Van Emmerick, Eynthouts en Wichmans hangt ongetwijfeld samen met het feit dat er in de abdij onder andere onderricht werd gegeven in de klassieke talen. De in de latere boekenlijsten van deze pastoors na te wijzen grotere belangstelling voor kerkelijke literatuur, valt bij Van Emmerick waarschijnlijk te verklaren door zijn oriëntatie op de zielzorg, bij Eynthouts door de invloed die hij tijdens zijn studie te Leuven onderging en bij Wichmans vermoedelijk door een persoonlijke interesse.
De veranderingen die de Tilburgse pastoors in de loop der jaren in hun bibliotheken aanbrachten betroffen over het algemeen voornamelijk de inhoud van hun boekwerken. Hun voorkeur voor bepaalde categorieën auteurs bleef opmerkelijk constant. Zo bezaten ze steeds hoofdzakelijk vrij recente werken van seculiere en reguliere geestelijken, voor het merendeel afkomstig uit de Nederlanden, met name de Zuidelijke, Spanje, Italië en het Duitse Rijk. Van de verschillende reguliere orden waren vooral in de latere lijsten de jezuïeten nadrukkelijk aanwezig. Van de auteurs van deze belangrijke contrareformatorische orde waren Jacobus Alvarez de Paz, Robertus Bellarminus, Franciscus Costerus, Leonardus Lessius, Franciscus Ribera en Emmanuel Sa in elke Tilburgse lijst met een of meer boekwerken aanwezig en waren Martinus Becanus, Jeremias Drexelius en Cornelius a Lapide in twee lijsten met een groot aantal werken vertegenwoordigd. Verder waren twee dominicanen zeer populair, de Spanjaard Ludovicus Granatensis en de middeleeuwse theoloog Thomas van Aquino, en bezaten Eynthouts, Wichmans en Van Dijck relatief veel werken van ordegenoten, waaronder de korte uitleg van de regel van de heilige Augustinus van Laurentius Landtmeter, "Norbertus triumphans" van Martinus Mertz, "Natales Sanctorum Ordinis Praemonstratensis" en "Vita Sancti Norberti" van Johannes Chrysostomus van der Sterre en de werkjes van Augustinus Wichmans het meeste voorkwamen.
Dergelijke uitgesproken voorkeuren bezaten de pastoors echter niet voor wat betreft de inhoud van hun boekwerken. In hun latere lijsten werd het aantal werken in het genre kerkelijke literatuur weliswaar steeds omvangrijker, maar binnen dat genre werden telkens weer andere vakgebieden aangevuld, zodat in de loop der jaren de bibliotheken qua inhoud nogal eens veranderden van samenstelling. Van de door de vier pastoors te Tilburg gebruikte boeken kan echter in het algemeen gezegd worden dat die vooral betrekking hadden op de theologische vakgebieden bijbelcommentaar, homiletiek, spiritualiteit, controverstheologie en, zij het in wat mindere mate, moraaltheologie en dogmatiek. Als zodanig waren de bibliotheken van de Tilburgse pastoors hoofdzakelijk gericht op de praktijk van de zielzorg en kunnen we ze karakteriseren als die van de doorsnee zielzorger uit het posttridentinum, wanneer we de door Frijhoff ontworpen typologie hanteren. Frijhoff, 214. Frijhoff stelt echter dat dit bibliotheek-type opviel door een vrij homogene kern en een zekere blikvernauwing, als gevolg van de strak gereguleerde posttridentijnse priesteropleiding. Ibidem. Dit gold niet voor de bibliotheken van de vier Tilburgse pastoors. Zoals we zagen was de gemeenschappelijke kern van hun boekenbezit erg klein. De vier pastoors bezaten namelijk een grote verscheidenheid aan werken. Verder waren ze wel degelijk geïnteresseerd in hetgeen er buiten de katholieke kerk om gebeurde en wat zich aan hun blikveld onttrok. Van Emmerick bezat bijvoorbeeld een tweetal werken op het gebied van de missiegeschiedenis, "Historiae Indicae" van Johannes Petrus Maffaeus SJ en het bekende "Theatrum conversionis gentium" van Arnoldus Mermannius OFM. Zie bijlage II, 46 en 92. Ook Eynthouts toonde belangstelling voor het verre oosten blijkens zijn opgaven "Thesaurus rerum Indicarum" en "Historia Japonica", werken van Petrus Jarricus SJ en Nicolas Trigault SJ. Zie bijlage II, 197 en 198. Verder had hij een brede interesse in diverse zaken, getuige de aanwezigheid in zijn bibliotheek van werken als "Politicorum libri decem" van Adam Contzen SJ, "Politica" van Justus Lipsius, "Paraenesis ad Rempublicam Venetam" van Caesar Baronius Orat., "Den Nederlantschen Waersegger" van Carolus Scribani SJ, werken betreffende staatkunde en politiek, "De Secretis libri XVII" van Johannes Jacobus Weckerus, een natuurkundig werk, en "De Magia" van Benedictus Pererius SJ, "Syntaxes artis mirabilis" van Petrus Gregorius, "De apparitionibus spirituum" en "De Daemoniacis", beiden van Petrus Thyraeus SJ, werken betreffende magie en het bovennatuurlijke. Zie bijlage VIII, 155, 165, 113, 72, 171, 31, 84, 177 en 178. Ook Wichmans bezat de "Politica" van Justus Lipsius en verder twee numismatische werken van de geleerde Hubertus Goltzius en een werk over de Egyptische hiëroglyphen van de Italiaanse historicus Johannes Pierius Valerianus. Zie bijlage XVIII, 195, 40 en 36. Bij Van Dijck stonden werken als "Della guerra di Fiandra" van Guido Bentivoglio, "Romanarum antiquitatum libri X" van de protestantse antiquair Johann Rossfeld, "La Chronique des Roys de France" van Jean Du Tillet, en de missieverslagen van jezuïeten uit Japan en China in het Italiaans in zijn boekenkast. Zie bijlage XX, 140, 70, 165 en 107. Deze opsomming zou alleen maar langer worden als we de andere lijsten van de pastoors op dit punt zouden inventariseren en dat geeft aan dat er voorzichtigheid moet worden betracht bij het leggen van verbanden tussen soort boekenbezit en mate van eruditie, op basis van slechts één enkele boekenlijst. Wat dat betreft is de typologie van Frijhoff te grof en te ongenuanceerd, want aan de meeste norbertijner zielzorgers kan, zoals nader onderzoek vermoedelijk zal uitwijzen, een zekere vorm van eruditie niet worden ontzegd, hetgeen ongetwijfeld samenhangt met de studietraditie binnen de orde.
Bij een eventueel vervolgonderzoek is het wenselijk aandacht te besteden aan de in het abdijarchief aanwezige catalogi van de grote abdijbibliotheek. Daar kwamen immers de meeste boekenwerken van de abdijheren vandaan en keerden ze uiteindelijk na verloop van tijd ook weer terug. Via die catalogi en via de aantekeningen in de verspreid over diverse bibliotheken bewaard gebleven boeken van de abdij Tongerlo, is het waarschijnlijk mogelijk exacter aan te geven welke uitgaven door welke kloosteringen werden gebruikt. Overigens is het inventariseren van bezittersaantekeningen in boeken een zeer goede, hoewel tijdrovende onderzoekmethode voor het achterhalen van het boekenbezit van parochiegeestelijken die geen boekenlijsten hebben nagelaten.