1. Historische achtergrond: de orde van Prémontré, de abdij Tongerlo en de parochie Tilburg
Om het onderzoek naar de bibliotheek van de Tilburgse pastoors in een breder kader te kunnen plaatsen, volgt hier eerst een schets van de historische achtergrond waarmee het een en ander in verband moet worden gebracht. Daarin worden vooral de kerkelijke, politieke en culturele aspecten benadrukt die van invloed zijn geweest op het functioneren van de pastoors van Tilburg in de eerste helft van de zeventiende eeuw. Aan de hand van de thema's: 'orde van Prémontré', 'abdij Tongerlo' en 'parochie Tilburg', wordt uiteengezet in welke omstandigheden zij leefden en hun denken en handelen bepaalden.
1.1. Het ontstaan van de orde van Prémontré en haar ontwikkeling tot aan de zeventiende eeuw
De orde der reguliere kanunniken van Prémontré werd gesticht in 1120 door Norbert van Gennep in de vallei Prémontré in de omgeving van Laon in Noord-Frankrijk. De leden van de orde worden naar de plaats waar hun eerste klooster verrees premonstratenzers genoemd, of naar hun stichter norbertijnen. In Nederlandstalige gebieden noemt men hen vaak witheren, naar hun witte ordekleed.Van den Hurk, De Norbertijnen, 7.
Norbert van Gennep, geboren omstreeks 1180-1185 als zoon van Heribert van Gennep, graaf van Kleef, was al op jeugdige leeftijd kanunnik van het kapittel van Sint-Victor te Xanten, dat de regel van Aken naleefde, die privé-bezit toestond. Zijn inkomsten uit zijn kanonicaat zorgden ervoor dat hij een onbekommerd leven kon leiden, dat eerder in overeenstemming was met zijn adellijke afkomst dan met zijn geestelijke staat als subdiaken. Hij bracht veel tijd door aan de hoven van keizer Hendrik V en de Keulse aartsbisschop Frederik I, maar het was juist in een van die brandpunten van het toenmalige politieke en kerkelijke leven dat hij in contact kwam met ideeën die zijn leven radicaal zouden veranderen.Grauwen, 610-612.
Deel uitmakend van de hofhouding van keizer Hendrik V verbleef Norbertus in het jaar 1111 te Rome. Daar maakte hij een episode uit de investituurstrijd van nabij mee. De confrontatie tussen de eisen van Hendrik V om via het door de paus te verlenen investituurrecht invloed te kunnen uitoefenen op de benoeming van bisschoppen om hen als politiek instrument te kunnen gebruiken en het idealistische plan van paus Paschalis II om via het loskoppelen van de verbinding tussen kerkelijke functies en wereldlijke goederen te komen tot een scheiding tussen kerk en staat, eindigend in een door gevangenschap afgedwongen nederlaag voor de paus, heeft de jonge wereldse kanunnik waarschijnlijk tot bezinning gebracht. Door contacten met exponenten van de verschillende binnenkerkelijke hervormingsbewegingen die eind elfde en begin twaalfde eeuw waren ontstaan vanuit dezelfde behoefte de verwereldlijking onder de geestelijkheid tot staan te brengen en een heroriëntatie op het ideaal van de christelijke armoede in gang te zetten, voltrok zich in hem geleidelijk een ommekeer.Grauwen, 612-613; Van Dijck, 61-62.
Hij liet zich tot priester wijden, verwisselde zijn rijke kledij voor een boetekleed en ging prekend rond om de geestelijken te doen inzien dat toch vooral van hen een passender, meer op het evangelie georiënteerde levenswijze werd verlangd. Na een mislukte poging zijn medekanunniken te Xanten zijn pas verworven inzichten te laten delen en na een aanvaring met de kerkelijke autoriteiten wegens het preken zonder volmacht en het dragen van een soort kloosterkleed terwijl hij niet tot een kloosterorde behoorde en zelfs nog bezittingen had, ontdeed hij zich van al wat hij bezat en vertrok hij in 1118 naar Zuid-Frankrijk om van paus Gelasius II die daar tijdelijk verbleef, een volmacht te verwerven om overal te preken.Grauwen, 613-614; Van Dijck, 63-64.
Na enkele jaren van zwervend bestaan als boeteprediker, begaf hij zich op aandrang van paus Calixtus II naar het bisdom Laon om onder de hoede van diens neef, Barthélemy de Jur, bisschop van Laon, het hervormingswerk in het bisdom te ondersteunen. Nadat hij tevergeefs had geprobeerd de kanunniken van het kapittel van Sint-Martinus van Laon voor zijn hervormingsprogramma te winnen, trok hij zich in het voorjaar van 1120 terug in de bossen van Coucy in de vallei van Prémontré op circa twintig kilometer afstand van Laon, om met enige volgelingen zijn armoede-ideaal gestalte te geven door de stichting van een nieuwe kloostergemeenschap.Grauwen, 615-616; Van Dijck, 64-65.
De stichting van Prémontré verkreeg op 26 juni 1124 kerkelijke goedkeuring, waarbij werd bepaald dat de nieuw gevormde gemeenschap kerkrechtelijk als een samenlevingsverband van reguliere kanunniken moest worden beschouwd. Norbertus en zijn volgelingen waren allen kanunniken. Zij wilden de kanoniale levenswijze die ze zo gewoon waren handhaven, maar tevens kozen zij voor een verdieping van die levenswijze, door de strenge, monastieke leefregel van de heilige Augustinus aan te nemen, die sober evangelisch leven voorschrijft, privé-bezit afwijst en de nadruk legt op gemeenschappelijk leven in nederigheid, dienstbaarheid en gehoorzaamheid. Deze voor die tijd onconventionele combinatie van kanoniek en monastiek leven verwekte vooral de eerste jaren grote verwarring in kerkelijke kringen, maar Norbertus volhardde en wist op 16 februari 1126 van paus Honorius II de officiële bekrachtiging van deze levenswijze voor de nieuwe orde te verkrijgen.Van Dijck, 66-69.
In de zomer van 1126 werd Norbertus gekozen tot aartsbisschop van Maagdenburg. Op 18 juli hield hij een plechtige intocht in de stad en een week later, op 25 juli ontving hij de bisschoppelijke wijding. De leiding over Prémontré legde hij in de handen van een van zijn eerste volgelingen, Hugo van Fosses. In zijn functie als aartsbisschop van Maagdenburg verloochende Norbertus zijn idealen niet, maar zijn ijveren voor de hervorming van de clerus van zijn diocees zette veel kwaad bloed, waardoor hij zich vele vijanden maakte. Vooral zijn pogingen het kapittel van zijn zetelstad om te vormen tot een premonstratenzer stichting, wat hem in 1131 gelukte, kostte hem grote inspanningen. Norbertus overleed te Maagdenburg op 6 juni 1134. Op 28 juli 1582 werd hij door paus Gregorius XIII heilig verklaard.Grauwen, 618-621; Erens, 4-5.
De ideeën van Norbert van Gennep sloegen aan. Over heel Europa verrezen premonstratenzer abdijen. Vooral de twaalfde en dertiende eeuw vormden voor de jonge orde een ware bloeitijd. Op het hoogte-punt van de verspreiding van de orde, rond het jaar 1250, bezaten de norbertijnen naar schatting 562 kloosters, voornamelijk gevestigd in de Frans- en Duitstalige gebieden, maar ook in Skandinavië, Engeland, Spanje, Italië, Griekenland en Palestina.Grassl, 31. In de Nederlanden vond de eerste norbertijner vestiging plaats in 1121 aan het riviertje de Sambre in de omgeving van Namen. Daar ontstond de abdij van Floreffe, rechtstreeks gesticht vanuit Prémontré.Backmund, 373-374. Een tweede belangrijke stichting in de Nederlanden vanuit het moederklooster vond plaats in 1124. In dat jaar werd de collegiale Sint-Michielskerk te Antwerpen omgevormd tot de Sint-MichielsabdijIbidem, 265., vanwaaruit in 1128 de Onze Lieve Vrouwabdij te Middelburg werd gesticht en respectievelijk rond 1130 en 1134-1135 de voor het hertogdom Brabant belangrijke abdijen Tongerlo en Averbode.Ibidem, 270, 330. De vooral voor het latere Noord-Brabant zo verdienstelijke abdij Berne werd in 1134 gesticht aan de rivier de Maas bij Heusden, vanuit de abdij Mariënweerd, op haar beurt in 1129 gesticht aan de rivier de Linge bij Culemborg vanuit een dochterabdij van Prémontré, de Sint-Martinusabdij van Laon.Ibidem, 274, 302-303. De expansie van de orde naar het noorden van de Nederlanden kwam pas in de tweede helft van de twaalfde eeuw echt goed op gang met vestigingen in Friesland (de abdij Mariëngaarde te Hallum, de Sint-Bonifatiusabdij te Dokkum, de abdij Lidlum bij Oostbierum) en Groningen (de abdij Bloemhof of Wittewierum bij Appingedam en de abdij van Marne bij kloosterburen, die werd opgesplitst in een mannen- en een vrouwenklooster met als benamingen: Oldeklooster en Nijeklooster).Heijman, 23-29. Vele premonstratenzer kloosters ontstonden als dubbelklooster met aparte mannen- en vrouwenafdelingen, die pas later werden gescheiden.
De grote aanwas van nieuwe kloosterstichtingen maakte een goede organisatie noodzakelijk. Van het begin af aan werd de orde geleid door de abt van Prémontré, de abt-generaal, maar het hoogste gezags-orgaan werd het generaal kapittel, een jaarlijkse, voornamelijk te Prémontré gehouden vergadering, waaraan de abten en proosten van alle kloosters verplicht waren deel te nemen en waarin op democratische wijze de gang van zaken binnen de orde diende te worden doorgesproken en bepaald. Naarmate de orde groeide, werden de afstanden tussen de kloosters onderling steeds groter en werd het centraal behandelen van elke kwestie een steeds moeilijkere opgave. Daarom werd besloten alle kloosters in provincies of 'circarieën' in te delen, waarin namens de abt-generaal en het generaal kapittel visitatoren op geregelde tijden rondgingen om te waken over de naleving van de regel en de statuten en waarin van tijd tot tijd provinciale kapittelvergaderingen werden gehouden. Aanvankelijk kwamen de grenzen van deze ordesprovincies in grote lijnen overeen met die van de bestaande kerkelijke indeling in bisdommen, maar in het begin van de veertiende eeuw werd besloten de kloosters niet meer per bisdom, maar per regio in te delen, om aldus een gelijkmatigere spreiding van het aantal kloosters per circarie te verkrijgen. De kloosters in de Nederlanden werden ingedeeld in de circarieën Floreffe, Vlaanderen, Brabant, Holland en Friesland. De abdij Tongerlo behoorde tot de circarie Brabant.Jansen, 104-114; Backmund, passim.
Het merendeel van de premonstratenzer abdijen werd gesticht op het platteland. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de witheren in de eerste eeuwen van het bestaan van hun orde naast de verzorging van het koorgebed en het misoffer in de abdijkerk, vooral agrarische activiteiten ontplooiden. Ze maakten zich in vele afgelegen gebieden verdienstelijk door het droog leggen van moerassen en het ontginnen van bossen en woeste gronden die ze door schenkingen of aankopen in beheer hadden gekregen. Zij creëerden aldus uitgestrekte landerijen die ze vanuit hun hoeven en uithoven bewerkten ten behoeve van hun eigen onderhoud en dat van de talrijke armen die jaarlijks aan hun poorten klopten. Door de uitbreiding van hun domeinen geraakten de abdijen geleidelijk aan betrokken bij de zielzorg. Deze ontwikkeling verliep langs twee hoofdlijnen. In vele ver afgelegen gebieden waar de orde haar agrarische werkzaamheden ten uitvoer bracht, ontbrak vaak de meest rudimentaire vorm van zielzorg. Daarop gingen diverse abdijen ertoe over in die gebieden kapellen op te richten, gesteund door de in 1135 van paus Innocentius verkregen en in 1262 door paus Urbanus IV nog eens bevestigde volmacht. Trad de orde zo in deze gebieden op als initiator van zielzorg, in andere gebieden zorgde zij juist voor continuering daarvan, doordat vele abdijen door uitbreiding van hun domeinen door middel van schenkingen en aankoop van reeds in cultuur gebrachte gronden, in het bezit raakten van bestaande kapellen en kerken waaraan al zielzorg verbonden was. Daarbij was van belang dat het derde Lateraanse Concilie in 1179 het eigenkerken-systeem, het stichten en beheren van kerken door leken, inperkte, waardoor vele feodale landeigenaars het patronaats- of begevingsrecht over de door hen gestichte kerken, dat ze formeel niet meer mochten uitoefenen, overdroegen aan een naburig klooster.Grassl, 41; Van den Hurk, "De Norbertijnse zielzorg", 37-39, 44. Geleidelijk aan veranderde het karakter van de orde. De werkzaamheden op de abdijdomeinen werden overgelaten aan lekebroeders en lekepersoneel en de witheren richtten zich voornamelijk op de zielzorg van de vele aan hen toevertrouwde parochies. Op het grondgebied van het huidige Nederland bedienden de norbertijnen in de Middeleeuwen ongeveer 150 parochies, waarvan 40 in het tegenwoordige Noord-Brabant. Het grootste aandeel in de zielzorg in Noord-Brabant had de abdij Tongerlo met 18 parochies.Heijman, 25-26; Van den Hurk, "De Norbertijnse zielzorg", 48-52; zie ook pp. 15-16.
Het feit dat de norbertijnen veel tijd en energie spendeerden aan het werk op hun landerijen en de zielzorg in hun parochies betekent niet dat zij zich afzijdig hielden van studie en wetenschap. In hun dagorde werd van het begin af aan tijd ingeruimd voor de zogenaamde 'lectio divina', het lezen en overdenken van teksten uit de Heilige Schrift en de Kerkvaders. Al in de eerste ordesstatuten van omstreeks 1131, werd dit lezen van gewijde lectuur gereguleerd. De tijd die aan de dagelijkse koordiensten vooraf ging werd bestemd voor handenarbeid en die erna voor de lezing. Op zon- en feestdagen werd er uiteraard geen handenarbeid verricht en was er veel extra tijd voor de lezing beschikbaar. Tijdens de handenarbeid mochten er geen boeken gelezen worden. Daarom werd er doorgaans in de zomermaanden, de oogsttijd, weinig, en in de wintermaanden veel tijd aan lezen besteed. Was de lectio divina aanvankelijk bedoeld als meditatie, geleidelijk aan werd het een vorm van studie.Gerits, 81-83. Dit bracht met zich mee dat onder de norbertijnen de belangstelling voor boeken toenam. Verschillende abdijen bezaten al vroeg een scriptorium waarin boeken voor eigen gebruik werden vervaardigdIbidem, 83-97., maar naar mate de vraag naar boeken groter werd, verschenen er steeds meer boeken van buiten de abdijen in de norbertijner boekencollecties, niet alleen door bestelling of aankoop, maar ook door schenkingen en testamentaire beschikkingen van particulieren.Ibidem, 97-103. Met het toenemen van het aantal boeken groeide in diverse abdijen de aandacht voor de verzorging en bewaring van de bijeengebrachte verzamelingen. In de zestiende eeuw kwamen in vele abdijen in de Nederlanden aangepaste bibliotheken tot stand, waarvan die van de abdij Tongerlo, gebouwd onder abt Tsgrooten (1504-1530), zou uitgroeien tot een van de befaamdste.Ibidem, 106-108; zie p. 23vv.
De norbertijnen hielden zich niet alleen binnen, maar ook buiten hun kloosters bezig met studie en wetenschap. Al in 1252 stichtte de orde een college te Parijs om ordeleden de gelegenheid te bieden aan de universiteit aldaar studies te volgen.Zie daarover: E. Valvekens, "Le collège des Prémontrés à Paris au 16e siècle", in: Analecta Praemonstratensia, XVI(1940) 5-40 en J.J. John, "The college of Prémontré in Medieval Paris", in hetzelfde tijdschrift, XXVIII(1952) 137-171. Naar de universitaire opleiding van de norbertijnen is nog maar weinig onderzoek verricht, maar omtrent de studies van de abdijheren van Tongerlo en Berne zijn al enige gegevens bekend. In de vijftiende en de eerste helft van de zestiende eeuw werden 103 Tongerloenses ingeschreven voor een studie aan een universiteit, voornamelijk in het naburige Leuven, maar ook in de op verdere afstand gelegen onderwijscentra Keulen, Heidelberg, Parijs en Orleans.De Ridder-Symoens/Milis, 414-431, 290-309, 315-320. Van de 202 witheren die de abdij van Berne in de periode 1432-1800 voorbracht, doorliepen er 60 een universitaire opleiding, ook voor een groot deel te Leuven.Klein/Smits, 169-170. Zeker 83 van de 103 Tongerloenses waarvan kon worden vastgesteld dat ze een universitaire studie hadden gevolgd, werden ingezet in de zielzorg in de parochies van hun abdijDe Ridder-Symoens/Milis, 323-324., een constatering die nader onderzoek ongetwijfeld ook betreffende andere abdijen aan het licht zal brengen en waaruit duidelijk blijkt, dat de orde van Prémontré de beoefening van studie en wetenschap onder haar ordeleden voornamelijk praktisch aanwendde, ten voordele van de aan haar toevertrouwde parochies.
De grote verspreiding van de orde door middel van nieuwe klooster-stichtingen liep met de dertiende eeuw ten einde. In de veertiende en de vijftiende eeuw kenden de norbertijnen een periode van stabilisatie en verval, een ontwikkeling die in die tijd ook in de kerk als geheel viel waar te nemen. De verslapping in de observantie die vooral in de vijftiende eeuw binnen de orde van Prémontré optrad, had zowel externe als interne oorzaken. Door de verwikkelingen rond het pausschap in de tijd die bekend staat als die van het Westerse Schisma (1378-1418) had de kerk als geheel veel aan gezag en aanzien ingeboet. Tijdens de Renaissance zorgde het Humanisme voor een nieuwe wereldoriëntering met de mens als middelpunt, waardoor het religieuze leven grotendeels haar aantrekkingskracht verloor. De materiële welstand die de norbertijnen inmiddels hadden weten op te bouwen, bracht in een aantal kloosters de kanunniken in de verleiding het gemeenschappelijk leven op te geven en het armoede-ideaal te verlaten door privé-bezit te vergaren. In veel afgelegen parochies vervreemdde het leven buiten de abdijgemeenschap diverse norbertijner zielzorgers van de discipline van het kloosterleven. In verschillende abdijen werden de statuten niet meer nageleefd en het zou ongetwijfeld grote moeite kosten deze uit de dertiende eeuw stammende, strenge bepalingen weer ingang te doen vinden, te meer daar het generaal kapittel intussen maatregelen had uitgevaardigd die ermee in strijd waren. Daarom gingen er omstreeks het midden van de vijftiende eeuw binnen de orde stemmen op om te komen tot een nieuwe statutenredactie. Dit werk werd in 1462 op gang gebracht, doordat de uit de abdij Tongerlo afkomstige procurator van de orde te Rome, Dirk van Tuldel, daartoe van paus Pius II een officiële, aan alle abdijen van de orde gerichte aansporing wist te verkrijgen.Valvekens, "Le Chapitre Général", 53-55. Het resultaat werd in 1502 door het generaal kapittel aangenomen en in 1503 door paus Julius II goedgekeurd, waarna het generaal kapittel van 1505 de nieuwe statuten van kracht verklaarde.Ibidem, 71-72, 80-82. Met de invoering van deze nieuwe statuten werd binnen de orde van Prémontré een hervorming van de in verval geraakte observantie in gang gezet. Die zorgde ervoor dat de orde de moeilijke periode van de overgang van de middeleeuwen naar de moderne tijden overleefde, aansluiting vond bij de in de hele kerk door het Concilie van Trente (1545-1563) doorgevoerde herleving, die bekend staat als de katholieke reformatie, en in de zeventiende eeuw een tweede grote bloeiperiode beleefde. Het laat zich raden dat deze ontwikkeling niet zonder problemen verliep. Voordat de orde zich met een nieuwe herziening van de statuten in 1630 definitief aan de veranderde tijdsomstandigheden had aangepast en met een nieuw elan haar werkzaamheden kon voortzetten, kende zij een periode van onrust en onzekerheid.
Aanvankelijk schenen de herziene statuten van 1505 een positieve uitwerking te hebben. Zo was bijvoorbeeld de situatie in de abdijen van de Brabantse circarie in de eerste decaden van de zestiende eeuw over het algemeen gunstig, te oordelen naar de verslagen van de onder de abten-generaal Jean de l'Escluse (1497-1512), Jacques de Bachimont (1512-1531) en Virgile de Limoges (1531-1532) gehouden visitaties in die kloosters.Weyns, "La réforme des Prémontrés", 11. Spoedig keerde het tij. Na de dood van Virgile de Limoges ontstond er in het generaal kapittel verdeeldheid over zijn opvolging. Daar maakte kardinaal Francesco Pisani gebruik van door van paus Paulus III gedaan te krijgen dat hij de moederabdij van de orde in commende kreeg, om zich haar inkomsten toe te eigenen zonder zich te bekommeren om het feit dat hij daardoor de abdij en de orde grotendeels van hun geestelijke leiding beroofde.Grassl, 68. Het tijdstip waarop de orde dit onheil overkwam was zeer ongunstig. Het opkomende protestantisme deed de bestaande kerkelijke structuren wankelen en met name in het Duitse Rijk, in de Skandinavische landen en Engeland gingen vele abdijen voor de orde verloren.Ibidem, 64. In 1562 trad Pisani af als commendatair abt van Prémontré ten gunste van kardinaal Hyppolite d'Este en pas na diens dood in 1572, konden de norbertijnen weer een eigen abt-generaal kiezen, omdat het Concilie van Trente intussen het commende-systeem had verboden.Ibidem, 68-69.
Het gebrek aan leiding deed zich gevoelen. In de hele orde werd een verval van het religieuze leven merkbaar, dat zoals eerder vooral tot uitdrukking kwam in het opgeven van het gemeenschappelijke leven en het verwaarlozen van de armoede-beleving. Ook de Brabantse adijen deelden in deze algehele malaiseWeyns, "La réforme des Prémontrés", 11-13., maar sommige Brabantse abten en met name die van de Leuvense abdij Park, ondernamen serieuze pogingen het geregelde kloosterleven weer te herstellen. De politieke situatie in de Nederlanden werkte in hun voordeel. Karel V had paus Julius III weten te winnen voor zijn streven de kerkelijke instellingen in de Nederlanden te reorganiseren naar de landsgrenzen, waardoor deze bij breve van 1 oktober 1552, de Nederlandse kloosters had gevolmachtigd zich los te maken van hun buitenlandse superieuren. Deze breve was lange tijd een dode letter gebleven maar in 1572 werd hij voor zover de norbertijnen betreft ten uitvoer gebracht door de hertog van Alva, door Philips II naar de Nederlanden gezonden om er de opstand tegen Spanje te onderdrukken en kerkelijke hervormingen door te voeren. In februari 1572 riep Alva de abten van de norbertijner kloosters van de Nederlanden in de abdij Park bijeen voor een nationaal kapittel met als voornaamste onderwerp de hervorming van de Nederlandse abdijen in de geest van het Concilie van Trente.Valvekens, "L'Ordre de Prémontré", 75-80. Mede door het enthousiasme van enkele hervormingsgezinde Brabantse abten werd deze vergadering onverwacht een succes en het resultaat was een 33 artikelen tellend hervormingsprogramma dat op 10 maart 1572 door Philips II werd goedgekeurd.Ibidem, 80-86. De voorgestelde maatregelen werden niet overal even goed ontvangen. In diverse abdijen werden ze een punt van discussie tussen hervormingsgezinde en niet-hervormingsgezinde kloosterlingen en daarom was er vooralsnog geen sprake van een algeheel herstel van het religieuze leven in elke Nederlandse abdij.Ibidem, 86-96.
In hetzelfde jaar waarin de abdijen in de Nederlanden pogingen in het werk stelden om langs eigen weg te komen tot een hervorming van het kloosterleven, werd in de hele orde de herleving definitief in gang gezet, doordat met de benoeming van Jean Despruets tot nieuwe abt-generaal de leiding van de orde in handen kwam van een persoon die zich al geruime tijd had ingezet voor het belang van de orde en vast besloten was de eenheid en de observantie binnen de orde te herstellen.Weyns, "La réforme des Prémontrés", 16-17. Tijdens zijn generalaat (1572-1596) en dat van zijn opvolgers François de Longpré (1596-1613) en Pierre de Gosset (1613-1635) werd in de norbertijner orde de hervorming krachtig ingevoerd en bestendigd, waardoor onder de premonstratenzers een nieuw elan ontstond dat hen in staat stelde te beantwoorden aan de eisen die het Concilie van Trente aan de geestelijken had gesteld om te komen tot een herleving in de kerk als geheel. Despruets zorgde voor de normalisering van het premonstratenser leven door weer regelmatig het generaal kapittel bijeen te roepen en visitaties te houden. Hij ondervond daarbij hinder van verschillende politieke en religieuze conflicten die in die tijd in Europa werden uitgevochten, zoals de Opstand van de Nederlanden tegen Spanje, die de Noordnederlandse premonstratenzer abdijen ruïneerde en grote politieke onrust in de Zuidnederlandse witherenkloosters veroorzaakte.Zie daarover: E. Valvekens, De Zuid-Nederlandsche Norbertijner Abdijen en de Opstand tegen Spanje, 1576-1585, Leuven 1929. Met name de escalatie van de godsdiensttwisten bracht tevens te weeg dat de norbertijnen het nut van de hervormingen inzagen en zich aan het gezag van Prémontré conformeerden. Daardoor konden De Longpré en Gosset begin zeventiende eeuw, toen vooral in de Nederlanden een betrekkelijke rust heerste door het Twaalfjarig Bestand, Despruets' herstelwerkzaamheden voortzetten en afronden, door aan te sturen op een vernieuwing van de statuten van 1505, die uiteindelijk in 1630 tot stand kwam en waaraan de Brabantse abdijen in belangrijke mate hadden bijgedragen, vooral in de persoon van de abt van de Leuvense abdij Park, Johannes Drusius, de vicaris-generaal van de Brabantse circarie.Weyns, "La réforme des Prémontrés", 20-29. In feite had de nieuwe statutenredactie al in 1618 grotendeels haar beslag gekregen en was ze rond die tijd al in een groot aantal abdijen, waaronder de Brabantse, ingevoerdIbidem, 23-26., zodat gesteld kan worden dat de katholieke reformatie binnen de orde van Prémontré al vanaf het begin van de zeventiende eeuw haar vruchten afwierp.
De maatregel die de norbertijnen verplichtte hun abt ieder jaar een opgave van hun inboedel te verstrekken en die ons in staat stelt na te gaan wat zij zoal aan boeken lazen, is onlosmakelijk verbonden met de herleving binnen de orde in de zestiende en zeventiende eeuw en vooral met de pogingen de hier en daar binnengeslopen vormen van privé-bezit tegen te gaan en daardoor de gelofte van armoede opnieuw inhoud te geven. Al in 1541 had het generaal kapittel bepaald dat de abdijheren die een beneficie beheerden of op de een of andere manier een administratieve functie vervulden, voortaan gehouden waren ieder jaar, bij voorkeur op de zesde zondag na Pasen, verantwoording af te leggen over hun doen en laten ten overstaan van hun abt.Acta et Decreta III, 130-131. Dit gold uiteraard met name voor de norbertijner pastoors die de inkomsten en uitgaven van de hun toevertrouwde parochies in beheer hadden. Tijdens het generalaat van Despruets werd deze maatregel door het generale kapittel van 1575 aangevuld met de bepaling dat voortaan van iedere abdijheer werd verlangd, dat hij jaarlijks zijn abt een opgave van zijn inboedel op papier overhandigde en dat degenen waarvan na hun dood zou blijken dat ze bepaalde zaken niet hadden opgegeven, op de mesthoop zouden worden begraven.Les Chapitres Généraux 18. Uit de bewoordingen waarmee deze maatregel werd opgesteld valt niet duidelijk op te maken dat die zowel de binnen als buiten de abdijmuren verblijvende witheren betrof:
"Item Capitulum ordinat et singulis Abbatibus, Prioribus et Praepositis mandat ut in virtute sanctae obedientiae cogant suos religiosos claustrales pastores ecclesiarum parochialium, quatenus describant omnem suam supellectilem quocumque nomine censeatur in chartas eamque dent suis Reverendis Abbatibus, Prioribus vel Praepositis. Quod si quid de industria aut ex malitia praetermiserint et interim moriantur et inventum fuerit post eorum mortem, tamquam proprietarii in sterquilinio sepeliantur."
Dat de maatregel wel degelijk voor alle abdijheren was bedoeld, komt echter wel duidelijk tot uitdrukking in de bewoordingen van het enige van Despruets zelf bewaard gebleven visitatieverslag, namelijk dat van zijn bezoek aan de abdij Park bij Leuven op 14 maart 1575, waarin hij vooruit loopt op de pas op 1 mei 1575 in het generaal kapittel vastgestelde maatregel, waaruit misschien tevens mag worden geconcludeerd, dat de maatregel waarschijnlijk op initiatief van Despruets werd genomen:
"Item claustrales et pastores semel in anno proprio Abbati sua peccata confiteantur. Item omnem supellectilem suam, quoquo nomine censeantur, describant fratres claustrales et beneficiati in papiro et charta eamque singulis annis Rdo. Abbati tradent. Quod si quis mortuus fuerit et aliquid inventum fuerit, quod non revelaverit, in sterquilinio sepeliatur."
Documents Prémontrés, 228. Het belang van deze verplichting voor de beleving van het armoede-ideaal binnen de orde, werd door het generaal kapittel van 1605 nog eens onderstreept.Acta et Decreta IV, 16. Ongetwijfeld in het kader van deze maatregelen bepaalde het in 1620 in de abdij Park gehouden provinciaal kapittel van de Brabantse circarie, dat voortaan van de pastoors van de Brabantse abdijen bij hun ambtsaanvaarding een eed verlangd moest worden, waarin ze onder andere moesten beloven dat ze zich ieder jaar schriftelijk zouden verantwoorden voor de goederen en inkomsten en uitgaven die zij beheerden.Capitula Provincialia, 31. Van de abdij Berne is bekend dat haar abt Jan Moors dit ernstig opvatte en ten behoeve van zijn pastoors een formulier ontwierp waarvan zij gebruik konden maken bij het opstellen van het voorgeschreven inventaris.Van den Hurk, "Lotgevallen", 226. Ook voor de pastoors van de abdij Averbode bestond zo'n formulier.Lefèvre, 124. De manier waarop Petrus van Emmerick als pastoor van Tilburg de inboedel en het financiële reilen en zeilen van de Tilburgse pastorie beschreef, doet vermoeden dat ook de pastoors van de abdij Tongerlo een soortgelijke instructie kendenZie p. 53., maar die is vermoedelijk niet bewaard gebleven aangezien onderzoek daaromtrent in het abdijarchief tot nu toe niets van dien aard heeft opgeleverd. Uiteindelijk zorgden de statuten van 1630 voor een definitieve regeling van de verplichting, voor zowel de pastoors als de in de abdij verblijvende kloosterlingen.Statuta, distinctio II, caput XXIII, articulus 25 en distinctio IV, caput XX, articulus 1.
1.2. De abdij Tongerlo en haar religieuze en culturele uitstraling
Evenals de abdij Prémontré dankt de abdij Tongerlo haar naam aan haar stichtingsplaats, het dorpje Tongerlo, gelegen in de Kempen op ongeveer 50 kilometer oostwaarts van Antwerpen, eertijds behorend tot het kwartier van Herentals, dat deel uitmaakte van het markgraafschap Antwerpen, waarover de hertogen van Brabant het gezag uitoefenden. De stichting van de abdij werd mogelijk gemaakt door een inwoner van het dorpje, Giselbertus genaamd. Deze bood rond 1130 een gedeelte van zijn bezit aan tienden en gronden te Tongerlo aan de norbertijnen van de in 1124 tot stand gekomen Sint-Michielsabdij te Antwerpen aan, waardoor dezen in de gelegenheid werden gesteld ter plaatse een dochterabdij te stichten. De exacte stichtingsdatum van de abdij Tongerlo is niet met zekerheid bekend, maar waarschijnlijk kwamen de norbertijnen kort voor 1130 naar Tongerlo en vond in de jaren 1130-1133 de bouw en de inrichting van de abdij plaats.Van Spilbeeck, De Abdij van Tongerloo, 9-19; Lamy, L'Abbaye de Tongerloo, 4-6.
De abdijheren van Tongerlo hebben zich van het begin af aan bezig gehouden met de zielzorg. Direct na de oprichting van hun klooster, namen zij de geestelijke zorg voor de inwoners van Tongerlo op zich. In betrekkelijk korte tijd verwierven zij in vele parochies in de naaste en wijde omgeving het recht een kloosterling als pastoor aan te stellen. Omstreeks het midden van de dertiende eeuw bedienden de Tongerloenses reeds achttien parochies, namelijk op het grondgebied van het huidige België: Broechem, Diest (de parochie Sint-Sulpitius en de parochie O.-L.-Vrouw), Oevel, Olen, Poppel, Tongerlo, Westerlo en Vissenaken (de parochie Sint-Martinus en de parochie Sint-Petrus), en op het huidige Nederlandse grondgebied: Alphen, Drunen, Enschot, Hoogeloon, Klein-Zundert, Nispen, Tilburg en Waalwijk.Lamy, L'Abbaye de Tongerloo, 305-322. De in de parochies aangestelde kloosterlingen waren voor het stoffelijke, het beheer van de aan de parochie verbonden goederen waaruit de abdij de financiën betrok ten behoeve van het onderhoud van de pastorie en de kerk, verantwoording schuldig aan hun abt, maar voor het geestelijke, de zorg voor de eredienst en het welzijn van de parochianen, aan de bisschop waaronder de betreffende parochie ressorteerde.Ibidem, 335-340. Voor de bovengenoemde parochies waren dat in de Middeleeuwen de bisschoppen van Kamerijk en Luik. Het aantal parochies ter begeving van de abdij groeide ook in de hoge en late Middeleeuwen en in de zestiende eeuw gestaag, niet op de laatste plaats doordat vele reeds bestaande, bij de abdij geïncorporeerde, volkrijke parochies werden opgesplitst. Aan het begin van de zeventiende eeuw hadden de witheren van Tongerlo de herderlijke zorg over niet minder dan 41 parochies, verspreid over de in 1559 nieuw opgerichte bisdommen Antwerpen, 's-Hertogenbosch, Mechelen en Namen, te weten in het bisdom Antwerpen: Allier, Alphen, Broechem, Chaam, Duffel, Essen, Herselt, Kalmthout, Klein-Zundert, Nieuwmoer, Nispen, Oelegem, Olen, Ravels, Riel, Roosendaal en Wijnegem; in het bisdom Den Bosch: Diessen, Drunen, Haaren, Hapert, Hoogeloon, Mierlo, Moergestel, Nieuwkuijk en Onsenoort, Oevel, Oostelbeers, Poppel, Ramsel, Retie, Tilburg (met Enschot), Tongerlo, Waalwijk, Westerlo en Zoerle; in het bisdom Mechelen: Diest (twee parochies: Sint-Sulpitius en O.-L.-Vrouw) en Vissenaken (ook twee parochies: Sint-Martinus en Sint-Petrus); en in het bisdom Namen de in 1339 van de abdij Bonne-Esperance, een dochterstichting van de abdij Floreffe, om financiële redenen overgenomen parochie Adorp of Orp-le-grand.Lamy, L'Abbaye de Tongerloo, 323-325; Van Spilbeeck, De Abdij van Tongerloo, 104-127. Het merendeel van deze vanuit Tongerlo bediende parochies, namelijk 34 (82,9 %), lag in de bisdommen Antwerpen en 's-Hertogenbosch, suffraganen van Mechelen. Bijna de helft van al die aan de zorgen van de Tongerlose abdij-heren toevertrouwde parochies, namelijk 18 (43,9 %), was gelegen op het grondgebied van de huidige Nederlandse provincie Noord-Brabant, voornamelijk geconcentreerd in het oosten daarvan, de toenmalige Meierij van 's-Hertogenbosch, waarvan de grenzen grotendeels samen vielen met die van het in 1559 opgerichte bisdom 's-Hertogenbosch, waaronder in de zeventiende en de achttiende eeuw ook de abdij Tongerlo kerkelijk ressorteerde.
De eeuwenlange aanwezigheid van pastoors van de abdij Tongerlo op vele plaatsen in het oude hertogdom Brabant, heeft onmiskenbaar invloed gehad op het Brabantse religieuze en sociale leven. In de twaalfde en de dertiende eeuw heeft de abdij belangrijk bijgedragen aan de tot standkoming van de parochiële organisatie in vele dorpen op het platteland en in de daaropvolgende eeuwen heeft zij zich in de onder haar hoede staande leefgemeenschappen zeer verdienstelijk gemaakt door evangelisatie en educatie. Tijdens de zestiende en de zeventiende eeuw hebben de abdijheren van Tongerlo zich tezamen met hun confraters van de andere Brabantse abdijen grote inspanningen getroost het protestantisme uit Brabant te werenVan den Hurk, "De Norbertijnse zielzorg", 52-59., waardoor zij onder andere in het bisdom 's-Hertogenbosch een belangrijke, niet te onderschatten bijdrage hebben geleverd aan de doorvoering van de katholieke reformatie, een proces dat reeds in de tweede helft van de zestiende eeuw in het Bossche diocees op gang werd gebracht door de bisschoppen Franciscus Sonnius (1561-1570) en Laurentius Metsius (1570-1580), maar vanwege de politieke verwikkelingen pas onder hun latere opvolgers Gijsbertus Masius (1594-1614) en Nicolaas Zoesius (1615-1625) tot een goed einde werd gebracht.Rogier, I, 352-371; Spiertz, 65, 70-71.
Een van de grote oorzaken van de snelle verspreiding van het protestantisme in de zestiende eeuw was gelegen in het feit dat vóór het concilie van Trente (1545-1563), de opleiding van geestelijken niet door de kerk werd geregeld. De toekomstige priesters waren voor het verwerven van de voor het pastoorsambt vereiste kennis voor een groot deel aangewezen op eigen initiatief. Theoretisch kon een goede en gedegen kennis van zaken worden verkregen door een cursus Latijn, logica en rhetorica aan een stads- of kapittelschool, gevolgd door een cursus in de artes (basisonderwijs in de letterkunde, filosofie, wiskunde en de natuurwetenschappen) aan een universiteit en tenslotte een universitaire studie theologie, maar in de praktijk stelden velen zich tevreden met het onderwijs aan de stads- en kapittelscholen en bezocht slechts een beperkte groep priesterstudenten een universiteit, waarvan maar weinigen een studie theologie voltooiden. Daardoor bezat de doorsnee zielzorger in de op godsdienstig gebied woelige zestiende eeuw te weinig theologische kennis om zijn parochianen naar behoren leiding te geven.Post, 48-63. Om hierin verandering te brengen bepaalde het concilie van Trente dat voortaan in ieder bisdom een seminarie moest worden opgericht om daarin de opleiding van de parochiegeestelijken centraal te regelen.Concilium Tridentinum, Sessio XXIII, caput 18. In verschillende bisdommen in de Zuidelijke Nederlanden werd kort na de sluiting van het concilie van Trente een poging ondernomen het voorgeschreven seminarie op te richten, maar in de meeste diocesen was deze nieuwe instellingen vanwege de moeilijke politieke omstandigheden een vrij kort leven beschoren en duurde het nog tot de eerste decaden van de zeventiende eeuw voordat er opnieuw een begin kon worden gemaakt met het inrichten van aparte opleidings-instituten die voldoende waren toegerust om goed opgeleide priesters af te leveren.Mols, 378-379. Zo werd in het bisdom 's-Hertogenbosch het in 1571 door bisschop Metsius opgerichte seminarie al in 1582 weer opgeheven, waarna het pas in 1617 opnieuw gestalte kreeg door de inspanningen van bisschop Zoesius.Rogier, I, 364-365; II, 540-541.
In deze voor het Bossche bisdom moeilijke periode is het zonder twijfel van groot belang geweest, dat in vele parochies de zielzorg werd uitgeoefend door de vanouds met studie en wetenschap vertrouwde norbertijnen. Hierboven werd reeds melding gemaakt van het feit dat in de vijftiende en de eerste helft van de zestiende eeuw een groot aantal abdijheren van Tongerlo een universiteit bezocht.Zie pp. 7-8. Voor de hele periode waren er dat 103. In vergelijking met het totale aantal in die periode door de abdij voortgebrachte kanunniken betekent dat, dat vóór 1520 steeds eenderde deel van alle Tongerloenses een studie aan een universiteit volgde en in de jaren 1540-1560 zelfs ongeveer de helft.De Ridder-Symoens/Milis, 322. Vele van deze universitair geschoolde witheren kwamen in de zielzorg terecht. Slechts weinige bij de abdij geïncorporeerde parochies kregen nooit een academicus als pastoor. In de parochies Diessen, Drunen, Oevel, Retie, Tilburg, Tongerlo en Waalwijk werd de zielzorg vanaf eind vijftiende eeuw zelfs voortdurend door een hoger opgeleide abdijheer uitgeoefend, ondanks de grote mobiliteit onder de Tongerlose pastoors.Ibidem, 324. Na 1560 brak voor de abdij een moeilijke periode aan, met als gevolg een vermindering van het aantal gestudeerden onder de abdijheren tot gevolg gehad schijnt te hebben.Ibidem, 330. De abdij raakte haar onafhankelijkheid kwijt doordat zij bij de oprichting van nieuwe bisdommen in de Nederlanden in 1559 bij de bisschoppelijke tafel van het bisdom 's-Hertogenbosch werd ingelijfd ten einde dit diocees van voldoende inkomsten te voorzien. Uiteraard vochten de Tongerloenses deze beslissing aan, maar dat had geen succes en in 1569 werd de abdij definitief bij het bisdom geïncorporeerd, doordat Franciscus Sonnius op 30 augustus van dat jaar bezit nam van de abdij. Deze van de kant van de abdij onvrijwillige vereniging werd pas na jarenlange onenigheid op 27 januari 1590 weer ontbonden, onder andere door de welwillende houding van de derde Bossche bisschop, Clemens Crabbeels (1584-1592).Zie daarover: A. Erens, Tongerloo en 's-Hertogenbosch. De dotatie der nieuwe bisdommen in Brabant 1559-1596, Tongerlo 1925. Ondertussen had de abdij het door de politieke on-lusten als gevolg van de Opstand in de Nederlanden zwaar te verduren. In de jaren 1566-1577 werd het kloosterleven te Tongerlo voortdurend verstoord door plunderingen en bezettingen van diverse rondtrekkende, voornamelijk Staatsgezinde legerbenden. Daardoor zochten de meeste abdijheren in 1578 hun toevlucht in het in de Sint-Jorisstraat in de stad Den Bosch gelegen refugiehuis van hun klooster, waar ze tot het jaar 1584 verbleven en in betrekkelijk rustige omstandigheden het geregelde kloosterleven konden voortzetten.Zie daarover: W. van Spilbeeck, Tongerloo's kloostergemeenschap te 's-Hertogenbosch, 1578-1584, [Helmond, 1890]. Eenmaal teruggekeerd in hun abdij, moesten ze zich nog vele verstoringen van de rust en de stilte van het kloosterleven laten welgevallen door zowel Staatse als Spaanse troepen, totdat in 1592 de toestand in de streek stabiliseerde, toen de Spaanse troepen van Mondragon het kasteel van het nabij gelegen Westerlo innamen.Van Spilbeeck, De Abdij van Tongerloo, 375-376. Zo kon de kloostergemeenschap zich in de jaren negentig van de zestiende eeuw weer gaan concentreren op haar eigen bezigheden. Onder de abten Nicolaas Mudtsaerts (1590-1608) en Adrianus Stalpaerts (1608-1629) is het aantal gegradueerden in de abdij ongetwijfeld weer gestegen. Mudtsaerts verkreeg in 1599 voor de kloosterlingen die hij te Leuven ter studie zond toelating tot het in 1571 in die universiteitsstad opgerichte norbertijns college, doordat hij zich aansloot bij de abten van Averbode, Grimbergen, Ninove en Park, die deze instelling in het leven hadden geroepen en financieel mogelijk maakten.Ibidem, 420. Stalpaerts zond in 1625 twee abdijheren naar Rome om de mogelijkheid te onderzoeken ook daar een studiehuis ten behoeve van de studenten van de abdij in te richten. De missie van de twee, Dionysius Mudtsaerts en Cornelius Hanegraaf, was succesvol en reeds in 1626 vertrokken de eerste drie studenten naar Rome, begeleid door Cosmas Dillen, die door Stalpaerts tot voorzitter van het nieuwe college was aangesteld.Ibidem, 448-449.
Ook de studie binnen de abdijmuren werd in de zestiende eeuw op een hoger peil gebracht. Het concilie van Trente had bepaald dat er in de kloosters indien mogelijk onderwijs in de Heilige Schrift moest worden gegeven.Concilium Tridentinum, Sessio V, caput 2. Binnen de norbertijner orde werd dit besluit overgenomen door het nationale, Nederlandse kapittel van 1572Valvekens, "Le Chapitre Général", 99. en het generale kapittel van 1579Les Chapitres Généraux, 34., maar in vele norbertijner abdijen was het reeds enige tijd gewoonte de studie van de kloosterlingen door een speciaal daartoe aangestelde lector te laten begeleiden. Aanvankelijk waren dat bekende geleerden van buiten de kloosters. Zo doceerden te Tongerlo in de periode 1540-1547 Cornelius Jansenius, de latere bisschop van Gent; van 1551 tot 1555 Gislenus de Vroede, later hulpbisschop van kardinaal Granvelle; vanaf 1563 Cornelius Columbanus Vrancx, de latere abt van de Benedictijner Sint-Pietersabdij te Gent; en tijdens het abbatiaat van Mudtsaerts de Utrechtse geleerde Franciscus Haraeus.Van Spilbeeck, De Abdij van Tongerloo, 311, 420. Naarmate het aantal gegradueerden in de abdijen groter werd, gingen de abten er steeds meer toe over het leraarsambt aan eigen geleerde kloosterlingen op te dragen. Te Tongerlo vond dat vooral plaats onder abt Stalpaerts. In het necrologium van de abdij staat bij de gegevens van vele abdij-heren vermeld dat ze enige tijd in de abdij of in een van de colleges als lector in de theologie optraden. In de eerste helft van de zeventiende eeuw werd het onderwijs in de theologie in de abdij onder meer verzorgd door achtereenvolgens Laurentius Landtmeter, Norbertus Nelst, Willibrordus Bosschaerts, Bartholomaeus Pluckerius, Jordanus van der Donck, Jacobus van de Venne, Cornelius van Houthem, Antonius van Stiphout, Johannes Egidius, Thomas Verdonck en Antonius Brandt, allen gegradueerden in de theologie: één als baccalaureus (Van der Donck), drie als baccalaureus formatus (Nelstius, Bosschaerts en Pluckers), zes als licentiaat (Landtmeter, Van de Venne, Van Stiphout, Egidius, Verdonck en Brandt) en één als doctor (Van Houthem).Necrologium, 22, 74, 107, 120, 144, 187, 222, 225, 233, 235, 243. Stalpaerts verkreeg in 1610 in het kader van de bevordering van de studie in de abdij, van de pauselijke nuntius toestemming zijn kloosterlingen van het nachtofficie te ontslaan en de metten van middernacht naar 4 uur 's ochtends te verplaatsen, welke maatregelen in 1625 en 1627 door respectievelijk abt-generaal Pierre Gosset en paus Urbanus VIII van kracht werden verklaard voor de hele Brabantse circarie.Van Spilbeeck, De Abdij van Tongerloo, 433-434.
Uit dit alles blijkt duidelijk dat zich onder de norbertijnen aan het eind van de zestiende en het begin van de zeventiende eeuw zeer vele, goed opgeleide priesters bevonden, die goed waren voorbereid op het werk in de zielzorg. Dit feit werd dan ook meermaals door de kerkelijke autoriteiten openlijk erkend. In het verslag over de toestand van het bisdom 's-Hertogenbosch, in 1601 bij paus Clemens VIII ingediend door de Bossche kanunnik Jan Willems namens zijn bisschop Gijsbertus Masius, worden de abdijen Tongerlo en Berne aangeduid als ware seminaria voor het Bossche diocees.Relationes Status, 146. De vierde bisschop van Den Bosch, Nicolaas Zoesius, meldde in 1619, in zijn verslag over de situatie in het bisdom Den Bosch aan paus Paulus V, dat te Tongerlo de vroomheid en de orthodoxie bloeidenIbidem, 161. en zijn opvolger, Michael Ophovius (1626-1637), onderstreepte in een brief uit 1627 het belang van de pastoors van Tongerlo voor zijn diocees, door te stellen dat de abten van Tongerlo met hun goed onderlegde kloosterlingen op vele plaatsen in zijn bisdom eenzelfde effect sorteerden als destijds de Grieken met hun paard in Troje.Sanderus, I, 306; zie voor de vertaling van deze vermoedelijk als getuigschrift voor Tongerlo bedoelde en daarom nogal vleiende brief: Van Spilbeeck, De Abdij van Tongerloo, 434-435.
In het eerste kwart van de zeventiende eeuw konden de parochiegeestelijken in grote delen van het bisdom 's-Hertogenbosch in een betrekkelijke rust hun werkzaamheden verrichten, vooral gedurende de jaren 1609-1621, de periode van wapenstilstand tussen de Noordelijke Nederlanden en Spanje, bekend als het Twaalfjarig Bestand. In 1629 kwam daar echter verandering in. In dat jaar werd de stad Den Bosch, het meest noordelijke bolwerk van de Spanjaarden, na een maanden-lange belegering veroverd door de Staatse troepen onder leiding van stadhouder Frederik Hendrik. Bij het op 14 september 1629 opgestelde capitulatieverdrag werd bepaald dat voortaan onder het gezag van de Republiek der Noordelijke Nederlanden kwam: "Stadt, vrijdom ende Meijerije voor soo veel die aende stadt annex", een uitermate onduidelijke omschrijving, die door beide partijen in hun eigen voordeel werd uitgelegd, wat ertoe leidde dat in de daaropvolgende jaren tot aan de Vrede van Munster (1648), de Meierij van 's-Hertogenbosch het strijdtoneel werd van een felle prestigeslag tussen de Staatsen en de Spanjaarden.Zie daarover: V.A.M. Beermann, Stad en Meierij van 's-Hertogen-bosch van 1629 tot 1648. Een episode uit het laatste stadium van den Tachtigjarigen Oorlog, Nijmegen-Utrecht 1940, 1-104. Op godsdienstig gebied was in deze zogeheten Retorsie-tijd vooral de vrije uitoefening van het katholicisme in de dorpen en steden van het platteland een omstreden kwestie. De Staten-Generaal eisten de kerken en pastorieën van de Meierij op voor nieuw aan te stellen protestantse predikanten en probeerden het uitoefenen van de katholieke godsdienst tegen te gaan door middel van plakkaten de parochiegeestelijken te verbannen. De Zuidnederlandse kerkelijke en wereldlijke overheden trachtten langs diplomatieke weg bij de Staten-Generaal te bewerkstelligen dat in de Meierij en de andere omstreden gebieden vrijheid van godsdienstoefening werd afgekondigd en geboden ondertussen de geestelijken de Staatse plakkaten te negeren en hun parochies niet te verlaten. De situatie escaleerde toen aan de eisen door beide partijen kracht werd bijgezet door het inschakelen van de bezettingen van de verschillende garnizoensteden en predikanten en priesters werden opgebracht en gevangen gezet. De predikanten werden uit de Meierij verdreven en de parochiegeestelijken vluchtten naar veiliger oorden zoals de Baronie van Breda, van waaruit ze hun zielzorgactiviteiten trachtten voort te zetten.Rogier, II, 553-572. De Retorsie-strijd was op zijn hevigst in de jaren 1632-1638. Hoe grimmig deze kwestie werd uitgevochten en hoe ver de acties van de legergarnizoenen van beide partijen zich uitstrekten, blijkt wel uit het feit dat de abdijheren van Tongerlo zich in 1637 niet meer veilig voelden in hun klooster en zich terugtrokken in hun refugiehuis te Mechelen, waar ze tot 1640 verbleven.Van Spilbeeck, De Abdij van Tongerloo Bij de Vrede van Munster kwam de Meierij definitief in handen van de Staten-Generaal. De katholieke godsdienstoefeningen werden verboden, de dorpen en steden kregen protestantse predikanten toegewezen. De kerken en pastorieën en de daaraan verbonden goederen vielen aan de Staten-Generaal, hegeen vooral voor de abdij Tongerlo een een zware slag was, omdat zij, beroofd van de inkomsten van al haar pastorele goederen in de Meierij, voortaan jaarlijks ten behoeve van het onderhoud van haar zich op vele plaatsen verschuilende pastoors, grote geldbedragen extra moest spenderen.Van Spilbeeck, De Abdij van Tongerloo, 491-493. De openbare uitoefening van de katholieke godsdienst van de bevolking van het Generaliteitsland Brabant kon na 1648 alleen in de Zuidelijke Nederlanden en de vrije heerlijkheden in vrijheid plaats vinden. Hier werden vele zogenaamde grenskapellen werden opgericht, die grotendeels werden bediend door regulieren, waaronder uiteraard vele norbertijnen.Van den Hurk, "Norbertijnse zielzorg", 57-58.
De norbertijner pastoors waren op vele punten ten opzichte van hun seculiere collega's in het voordeel. Hun opleiding was goed geregeld. Zij hadden steeds de zekerheid in moeilijke tijden op het klooster terug te kunnen vallen voor bescherming en morele en financiële steun. Daarbij was van niet minder groot belang dat zij rechtstreeks toegang hadden tot de belangrijkste werken op het gebied van de theologie en de andere takken van wetenschap in de abdijbibliotheken.
Van vele norbertijner abdijen kan worden nagewezen dat zij reeds in de vroege Middeleeuwen begonnen met het vervaardigen van boeken in eigen scriptoria en in de hoge en late Middeleeuwen, toen onder de dagelijkse bezigheden van de abdijheren de studie een voorname plaats ging innemen, hun boekencollecties op allerlei manieren trachtten uit te breiden.Gerits, 84-103. De uitvinding van de boekdrukkunst in de vijftiende eeuw, bracht het hele boekenbedrijf in een stroomversnelling. In de tijd van de Renaissance en het Humanisme ontstond er een herwaardering van het boek als hét middel bij uitstek ter verspreiding van ideeën, cultuur en wetenschap. Onder invloed van deze ontwikkelingen begonnen de norbertijnen meer aandacht te schenken aan de bewaaromstandigheden van hun boekenverzamelingen. In de zestiende eeuw gingen diverse abten in de Nederlanden er toe over het tot die tijd voornamelijk in de lees- en schrijfvertrekken en de abdijkerk bewaarde boekenbezit onder te brengen in aparte bibliotheekruimten.Ibidem, 103-108.
In de abdij Tongerlo kwam door toedoen van abt Antonius Tsgrooten (1504-1530) een speciale abdijbibliotheek tot stand. Tussen 1523 en 1525 liet hij door de beroemde architect Rombout Keldermans de gehele abdij grondig verbouwen. Bij die gelegenheid werd er in een van de hoofdgebouwen een ruimte vrij gemaakt bestemd voor het bewaren van de inmiddels verworven boeken.Van Spilbeeck, De Abdij van Tongerloo, 290. Zijn opvolger was abt Arnoldus Streyters (1530-1560), die te Leuven wijsbegeerte en te Orleans kanoniek recht had gestudeerd. Hij ontpopte zich als een belangrijk promotor van studie en wetenschap door bekende geleerden als leraar naar de abdij te halen, diverse abdijheren voor een opleiding naar een universiteit te sturen en het werk van vele wetenschappers financieel te ondersteunen.De Ridder-Symoens/Milis, 424-425.Ook breidde hij het boekenbezit van de abdij aanmerkelijk uit, door jaarlijks vele belangrijke werken aan te schaffen, waarvan melding werd gemaakt in de abdijrekeningen.Van Spilbeeck, De Abdij van Tongerloo, 312. De door Tsgrooten en Streyters aangevangen opbouw van de abdijbibliotheek werd door de latere abten voortgezet. In de zeventiende eeuw bezat de abdij een boekencollectie die door vele geleerden die ermee in aanraking kwamen werd geroemd. Zo gaf de bekende Antwerpse historicus Aubertus Miraeus in de aan abt Adrianus Stalpaerts gerichte opdracht van zijn werkje Ordinis Praemonstratensis Chronicon (Keulen, B. Gualtherus, 1613) blijk van intense bewondering voor de Tongerlose bibliotheek, door deze qua ruimte en inrichting met die van het Vaticaan te vergelijken. Deze gold in die tijd als de grootste in de christelijke wereld.Miraeus, Epistola Dedicatoria. Ook een andere beroemde Antwerpse geleerde, Antonius Sanderus, kwam onder de indruk van de architectuur van de bibliotheek van de witheren van Tongerlo. In zijn in 1659 voor het eerst verschenen werk Chorographia Sacra Brabantiae met een zeer uitvoerige historische verhandeling omtrent de abdij, meldde hij onder andere dat de bibliotheekruimte een oppervlakte besloeg van 155 bij 33 Antwerpse voet (ca. 50 bij 10 meter).Sanderus, I, 382. In zijn Bibliotheca Belgica Manuscripta, 2 dln., Rijsel, 1641-1644, nam Sanderus een lijst op van de handschriften die zich in die tijd in de abdijbibliotheek van Tongerlo bevonden. (II, 153-156). Zelfs buitenlandse bezoekers als de Franse benedictijnen Edmond Martène (1654-1739) en Ursin Durand (1682-1771), die in het begin van de achttiende eeuw door West-Europa trokken om in bibliotheken en archieven materiaal te verzamelen voor het door een van hun confraters, Denis de Sainte-Marthe (1650-1725) te herschrijven werk Gallia Christiana en die dus toch wel een en ander gewend waren, schreven in het verslag van hun reis vol lof over de in Tongerlo aangetroffen bibliotheek, die ze de mooiste en grootste van de Nederlanden achtten.Martène/Durand, I, seconde partie, 198.
Naar de omvang en de inhoud van deze blijkbaar zeer belangrijke bibliotheek is helaas nog geen onderzoek verricht. De gegevens waarop een dergelijk onderzoek gebaseerd zou kunnen worden zijn echter wel in ruime mate aanwezig. Er zijn namelijk zeker drie catalogi voor handen. De Koninklijke Bibliotheek te Brussel bezit een catalogusKoninklijke Bibliotheek Brussel, hs. 8242., die in 1545 werd opgesteld door de Antwerpenaar Jacobus Geerts (?-1559)Van Spilbeeck, De Abdij van Tongerloo, 312; Necrologium, 192. en die volgens een globale schatting zo'n 970 werken bevat (waaronder ca. 180 theologische, ca. 510 letterkundige en filosofische, ca. 150 medische en ca. 130 juridische).De Ridder-Symoens/Milis, 312. Twee andere catalogi zijn in het archief van de abdij te vinden. Een daarvan dateert uit 1625 en is van de hand van supprior en bibliothecaris Cosmas Dillen, later voorzitter van het norbertijns college te RomeCorthouts, 84., de andere werd vervaardigd in 1707, waarschijnlijk door Siardus de Bal (1660-1709).Corthouts, 85. Deze catalogus van 1707 bevat een index waarin alle werken zijn gerangschikt naar hun kastnummer. Vermoedelijk werd deze catalogus noodzakelijk na een onder abt Gregorius Piéra (1695-1723) uitgevoerde algehele reorganisatie van het boekenbestand. Piéra breidde namelijk de bibliotheek uit met vele boeken en kasten en hij liet een groot aantal boekwerken herbinden in gelijksoortige, leren, goudgestempelde banden.Foppens, 193. In de huidige bibliotheek van de abdij, alsook in de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage zijn verschillende banden uit deze periode aanwezig, te herkennen aan het met goud op de rug aangebrachte abdijwapen (drie kepers op één veld).
Als gevolg van de opheffing van de abdij in 1796, tijdens de Franse overheersing, raakte het rijke boekenbezit van het klooster en dat van de Bollandisten, dat in 1789 door abt Godfried Hermans (1780-1799) was aangekochtDe bibliotheek van de Bollandisten, de groep jezuïeten die werkte aan de door Johannes Bollandus SJ (1596-1665) begonnen tekstkritische uitgave van oude heiligenlevens, bekend als de Acta Sanctorum werd in 1789 door de abdij Tongerlo aangekocht, toen de voorzetting van dit werk in gevaar werd gebracht nadat in 1773 door paus Clemens XIV de jezuïetenorde was opgeheven en het augustijner klooster Caudenberg, waar de geleerden in 1778 onderdak hadden gekregen, als gevolg van het keizerlijk decreet van Jozef II van 23 mei 1786 werd gesloten. Op 14 mei 1789 werd met de overheid een overeenkomst gesloten waarbij de drukkerij en de bibliotheek werden aangekocht voor een bedrag van 30.000 gulden. Lamy, "l'Oeuvre des Bollandistes", 379-389, 61-79., verspreid over diverse bibliotheken. De verzameling viel al direct in drie delen uiteen. Ongeveer 12.000 boeken werden in beslag genomen door het Franse bestuur en verdwenen in 1797 naar Antwerpen. Het restant van de boekenschat werd door de abdijheren in veiligheid gebracht bij particulieren in de omgeving van de abdij en in Gouda.Corthouts, III-IV. In 1825 hadden de verspreid over hun parochies wonende kloosterlingen de hoop laten varen hun abdij ooit nog eens te kunnen heroprichten en besloten zij over te gaan tot verkoop van de boeken die nog in hun bezit waren. Op 29 augustus 1825 werd te Antwerpen in het openbaar een deel van deze boeken verkocht.Van deze openbare verkoop bestaat een gedrukte catalogus, die werd opgesteld door J. van Steven, norbertijn van de Antwerpse Sint-Michielsabdij. Blogie, 70. In het abdijarchief van Tongerlo bevindt zich een exemplaar van deze catalogus, waarin bij ieder boek de naam van de koper en het bedrag dat deze ervoor betaalde werd bijgeschreven. De catalogus bevat 2.178 verkoopnummers, die in totaal een bedrag van 6.306 gulden opbrachten. AAT, archiefbibliotheek. De rest werd in 1827 voor 8.000 gulden afgestaan aan de overheid.Van Spilbeeck, De Abdij van Tongerloo, 620-621. Van deze in het bezit van de Nederlandse staat geraakte boeken, kwamen de hand-schriften in de Koninklijke Bibliotheek in Brussel terechtDeze handschriften werden later onder de nummers 7748-9000 in de handschriftencollectie van deze bibliotheek ondergebracht. Zie daarvoor: J. van den Gheyn, Catalogue des manuscrits de la Bibliothèque Royale de Belgique, 13 dln., Brussel, 1901-1948, passim. Corthouts, V-VI. en de gedrukte werken, waaronder 72 incunabelenZie daarvoor: G. van Thienen, "Incunabula from the abbey at Tongerlo. The provenance of part of the collection of incunables in the Koninklijke Bibliotheek, The Hague", in: Hellinga. Festschrift/Feestbundel/Mélanges, Amsterdam 1980, 481-492., in de Koninklijke Bibliotheek in 's-Gravenhage.Brummel, 158-160. De naar Den Haag getransporteerde boeken bereikten de Koninklijke Bibliotheek op 13 januari 1828. Kort daarna werd begonnen met een inventarisatie van de nieuwe aanwinsten. Bij deze gelegenheid werd een catalogus opgesteldCatalogus librorum ad nos transmissorum e Bibliotheca Tongerloensi, 13a die Januarii Anno 1828, KB Den Haag, afdeling Handschriften en Oude Drukken. Deze catalogus bevat 3.359 nummers., die thans een waardevol hulpmiddel is voor het onderzoek naar de indertijd door de Haagse bibliotheek verworven Tongerlose boeken, omdat de collectie op geen enkele manier meer in de huidige catalogi van deze instelling kan worden teruggevonden. De in de catalogus van 1828 doorgevoerde nummering (de boeken worden per vakgebied en per formaat genummerd en aan de nummering gaat een 'T' vooraf) is ook op het dekblad van de boeken aangebracht.
Via het combineren van de summiere gegevens in de catalogus van 1828 met die van de tegenwoordige bibliotheekcatalogus en met die van de boeken zelf (zowel de 'T'-nummers als de veelvuldig in de boeken voorkomende aantekeningen van de Tongerloenses), werd nagegaan of er zich in Den Haag boeken van de Tilburgse pastoors Van Emmerick, Eynthouts, Wichmans en Van Dijck bevonden. Van de door hen in hun inboedelinventarissen opgegeven titels konden er zo circa 408 worden achterhaald. Van deze 408 kon van dertien via aantekeningen worden vastgesteld, dat ze daadwerkelijk ooit door een van de vier pastoors werden gebruikt.Zie bijlage I, 30, 40, 53; VII, 196; IX, 1; XVI, 13; XVII, 79; XVIII, 13, 16, 54, 57, 103 en XIX, 4.
1.3. De parochie Tilburg en haar pastoors in de eerste helft van de zeventiende eeuw
De band tussen de abdij Tongerlo en de parochie Tilburg ontstond in de dertiende eeuw. Op 19 januari 1231 droeg Hendrik I, hertog van Brabant, zijn patronaatsrecht over de Tilburgse kerk over aan de abdij en in 1233 en 1263 volgden de andere belanghebbenden, Hendrik van Pumbeke met zijn vrouw Ymana van Gageldonk en Godfried van Kruiningen, dit voorbeeld.Weijters, 11. Over het ontstaan van de kerk van Tilburg bestaat tot op de dag van vandaag verschil van mening. Lange tijd werd aangenomen dat de kerk van Enschot, waarover de abdij Tongerlo reeds in 1164 gedeeltelijk het patronaatsrecht uitoefende, als de moederkerk van de kerk van Tilburg moest worden beschouwd. In 1955 werd dit door de historici Hardenberg en Boeren verworpen. Zij waren van mening dat de kerk van Tilburg werd gesticht als eigenkerk door de bezitters van de hoeve 'de Rijt' te Tilburg.Hardenberg, 51; Boeren, 78-79. Recentelijk werd echter de oude opvatting betreffende de verhouding tussen de kerk van Enschot en die van Tilburg weer opnieuw gelanceerd, doordat de geschiedkundige Deliën in zijn studie over het patrocinium van de kerk van Enschot de mening verkondigde dat de stichting van de kerk van Tilburg als eigenkerk niet hoeft te betekenen dat deze in de eerste jaren na haar ontstaan voor haar bediening niet afhankelijk was van de kerk van Enschot.Deliën, 26-32. Het laatste woord over deze kwestie zal waarschijnlijk voorlopig nog wel niet gesproken zijn. Hoe het ook zij, tussen de kerk van Tilburg en die van Enschot bestonden wel nauwe betrekkingen. In 1317 werd de parochie Enschot, wegens gebrek aan financiële middelen, met die van Tilburg verenigd, met dien verstande dat beide parochies zelfstandig bleven, maar voortaan door één gemeenschappelijke pastoor, die van Tilburg, werden bediend. Deze verbinding tussen Tilburg en Enschot bleef zeker tot ver in de zeventiende eeuw voortbestaan.Boeren, 78; Deliën, 33, 42.
In het voorgaande is steeds gemakshalve gesproken over de kerk en de parochie van Tilburg, maar in feite werden deze instellingen in de vroege Middeleeuwen voornamelijk aangeduid als de kerk en de parochie van West-Tilburg, ter onderscheid van die van Oost-Tilburg. Deze twee parochies strekten zich eertijds uit over nagenoeg het gehele gebied van de tegenwoordige gemeenten Berkel-Enschot, Helvoirt, Oisterwijk, Tilburg en Udenhout en hun wederzijdse begrenzing werd waarschijnlijk gevormd door een weg lopende van Waalwijk naar Moergestel, waarlangs later de grens tussen de gemeenten Tilburg en Udenhout liep.Hardenberg, 39, 49. Dit Tilburgse gebied behoorde in de twaalfde eeuw wereldlijk toe aan een adellijk geslacht waarin de naam Giselbert veelvuldig voorkwam. Deze Giselberten, de oudst bekende heren van Tilburg, verloren rond 1200 geleidelijk hun macht aan de Brabantse hertogen hetgeen van grote invloed was op de ontwikkeling van de beide Tilburgen. In het gebied van Oost-Tilburg werd omstreeks 1210 door Hendrik I de plaats Oisterwijk gesticht, die kort daarna stadsrechten ontving (1230)Zie daarover: W. Steurs, Les Campagnes du Brabant Septentrional du Moyen Age: La Fondation de la ville neuve d'Oisterwijk par le Duc Henri Ier, Leuven-Brussel 1974., maar aan het gebied van West-Tilburg werd een dergelijke stimulans onthouden. West-Tilburg, waaruit het huidige Tilburg is ontstaan, kwam omstreeks 1260, toen het geslacht der Giselberten was uitgestorven, onder het rechtstreekse gezag van de hertogen van Brabant.Hardenberg, 60-61. Het gebied werd in 1387 door hertogin Johanna samen met Drunen en de tol van Venloon (Loon op Zand) als pand voor een geldlening in leen uitgegeven aan de heer van Loon op Zand, Pauwels van Haestrecht, en in 1473 kwam het als een aparte heerlijkheid (Tilburg en Goirle) aan diens kleinzoon, Jan van Haestrecht, die in 1477 het middeleeuwse kasteel van Tilburg in de Hasselt aankocht, dat vanaf die tijd steeds in het bezit zou blijven van de opeenvolgende families die de heerlijkheid Tilburg en Goirle bezaten (respectievelijk tot en met de zeventiende eeuw: Van Haestrecht (1473-1524), Van Malsen (1524-1621) en Schetz van Grobbendonck (1621-1710)) en dat na 1648 de pastoor van Tilburg en zijn parochianen van dienst zou zijn als wijkplaats.Becx, "Over hoeven en hoevenaars", 34-35, 39; Becx, "De oorsprong van het kasteel van Tilburg", 71-72.
Kort nadat de abdij Tongerlo de patronaatsrechten over de kerk van (West-)Tilburg had verkregen, maakte zij van dit nieuwe beneficie een personaat. Dit hield in dat de tot pastoor aangestelde abdijheer (de 'persona' of 'persoon') de zielzorg niet zelf ter plaatse hoefde uit te oefenen, maar deze tegen betaling kon laten waarnemen door een vice-pastoor of vice-cureit.Boeren, 79. Kerkrechtelijk was dit geoorloofd en in de Middeleeuwen kwam het op vele plaatsen voor, maar omdat het vaak tot misbruik leidde, onder andere cumulatie van beneficia uit winstbejag, werd het door het Concilie van Trente afgeschaft door de bepaling dat de pastoors voortaan verplicht waren in de parochies te resideren.Concilium Tridentinum, Sessio VI, caput 2 (deze bepaling werd later nog eens benadrukt: Sessio XXIII, caput 1). Voordat deze bepaling werd afgekondigd was er in de situatie te Tilburg al verandering gekomen. Sedert het begin van de zestiende eeuw hielden de witheren van Tongerlo die het pastoorsambt van Tilburg bekleedden zich op in hun parochie en vanaf die tijd kan men spreken van directe bemoeienis met de zielzorg te Tilburg door de abdij Tongerlo. De eerste abdijheer die te Tilburg resideerde was Rutger van Holten (1502-1527).Boeren, 80. Hij nam zijn intrek in het huis Moerenburg, een omwaterde hoeve gelegen op grote afstand van de kerk van Tilburg aan de oostgrens van het West-Tilburgse gebied. Dit huis was in 1384 juist vanwege deze locatie, precies tussen de verenigde parochies Tilburg en Enschot, door de abdij Tongerlo aangeworven ter huisvesting van Tilburgse pastoors.Van Loon, 82-85. Van Holten, die een graad in de theologie behaalde, waarschijnlijk te ParijsDe Ridder-Symoens/Milis, 297., bracht de administratie van de parochie op orde door een jaargetijdenboek aan te leggen en door de inkomsten en uitgaven van het pastoraat in een tweetal registertjes te noteren. Deze drie handschriftjes worden thans bewaard in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel.Zie daarover: P.C. Boeren, "Het oudste Liber Anniversariorum der kerk van Tilburg", in: Bossche Bijdragen, XXII (1953-1954) 116-144.
Zoals Rutger van Holten ons belangrijke gegevens naliet over de bediening van de parochie Tilburg in de zestiende eeuw, zo verschafte meer dan een eeuw later pastoor Petrus van Emmerick (1616-1625) ons soortgelijke informatie over het pastoraat in zeventiende eeuw in het door hem aangelegde 'Manuale Pastorum'.AAT, Sectie II, 878. In dit Manuale van Van Emmerick, waarin ook zijn opvolgers gegevens noteerden, bevindt zich de oudst bekende inboedelinventaris van de parochie Tilburg, in 1618 ingeleverd door Van Emmerick. Daarmee is deze pastoor de eerste Tilburgse zieleherder omtrent wiens boekengebruik wij zeer uitvoerig zijn ingelicht.
Petrus van Emmerick
Petrus van Emmerick, rond 1574 geboren te 's-Hertogenbosch, legde op 30 oktober 1594 in de abdij Tongerlo de kloostergeloften af.Van Spilbeeck, Petrus van Emmerick, 8. Op 16 juli 1599 werd hij door abt Mudtsaerts aangesteld tot circator in de abdij, door welke functie hij belast werd met het toezicht op het naleven van de regel en de statuten door de kloosterlingen.Ibidem, 9. Kort daarna werd hij in de zielzorg ingezet. Hij bediende enige tijd de parochie Tongerlo, werd op 20 juni 1601 naar de parochie van Onze Lieve Vrouw te Diest gezonden en kreeg tenslotte op 6 juli 1616 de zorg over de parochies Tilburg en Enschot opgedragen.Ibidem, 9-11.
Betreffende de studie van Van Emmerick zijn geen gegevens bekend. Uit de inboedelinventaris die hij in 1600 in de functie van circator indiende, kan echter worden opgemaakt dat hij enige tijd te Leuven studeerde. Onder de in die inboedelinventaris opgegeven boeken wordt namelijk melding gemaakt van: "4 libri scripti Lovanii cum nonnullis aliis dictatis et scriptis".AAT, Sectie IV, bundel 134, no. 33. Zie bijlage I, 16. Het betreft hier ongetwijfeld door Van Emmerick zelf vervaardigde dictaten van cursussen gevolgd aan de universiteit van Leuven, vermoedelijk kort na zijn intrede in 1594. Dit gegeven kan echter niet in de matrikels van de universiteit van Leuven worden geverifieerd, aangezien die over de periode 1569-1616 ontbreken.
Van Emmericks vijftienjarige pastoraat te Diest is vooral bekend vanwege het feit dat hij daar in de jaren 1610-1612 in zijn pastorie onderdak en onderricht verschafte aan de jeugdige Johannes Berchmans (1599-1621), die later tot de orde der jezuïeten toetrad en in 1865 vanwege zijn vrome levenswandel werd heilig verklaard.Van Spilbeeck, Petrus van Emmerick, 19
Als pastoor van Tilburg en Enschot kreeg Van Emmerick een groot aantal parochianen onder zijn hoede. In de jaren 1618-1624 noteerde hij het aantal communicanten van de parochies in zijn ManualeAAT, Sectie II, 878, fol. 1r. Deze door Van Emmerick opgegeven aantallen communicanten werden eerder gepubliceerd door Deliën als bijlage VI bij zijn artikel over het patrocinium van de kerk van Enschot. Deliën, 58., hieronder in tabelvorm weergegeven:
Aantal communicanten in de parochies Tilburg en Enschot volgens opgave van pastoor Petrus van Emmerick:
| Jaar: | Aantal communicaten Tilburg: | Aantal communicanten Enschot: |
| 1618 | 3535 | 270 |
| 1619 | 3592 | 260 |
| 1620 | 3720 | 250 |
| 1621 | 3880 | 250 |
| 1622 | 3960 | 250 |
| 1623 | 3977 | 200 |
| 1624 | 3991 | 200 |
Uit deze gegevens blijkt dat het aantal communicanten te Tilburg groeide en te Enschot daalde. Vermoedelijk was dit eerder het gevolg van sociaal-economische dan van religieuze ontwikkelingen. Het meest opmerkelijke aan deze aantallen is echter dat de snelle groei in de parochie Tilburg in de periode na 1622 enigszins stagneerde en dat parallel daaraan de in Enschot optredende daling na datzelfde jaar dramatische vormen aannam. Waarschijnlijk is dit het gevolg van het feit dat in 1622 in beide parochies een epidemie heerste.AAT, Sectie II, 878, fol. 16v. De in het Manuale opgegeven aantallen communicanten geven al aan dat Van Emmerick zich voornamelijk met zijn Tilburgse parochie bezig hield. De afgeronde aantallen communicanten van Enschot zijn duidelijk het resultaat van schattingen. De bemoeienis van de Tilburgse pastoors met de parochie Enschot was vanaf de vereniging van beide parochies vooral van administratieve aard. De zielzorg te Enschot werd namelijk vanaf die tijd waargenomen door een vicaris of deservitor, aangesteld en betaald door de Tilburgse pastoor.Deliën, 34. Van Emmerick heeft met die traditie niet gebroken, maar hij heeft deze wel in zoverre veranderd, dat hij de zielzorgers voor Enschot onder zijn confraters recruteerde en niet zoals zijn voorgangers onder seculieren.Ibidem, 34-38. De betalingen voor de deservitors van de parochie Enschot noteerde Van Emmerick nauwgezet in zijn Manuale. Hierdoor is het mogelijk na te gaan welke Tongerloenses hem bij de bediening van de twee parochies ter zijde stonden. In 1619 was dat Adrianus Driesmans (?-1646), die later pastoor werd te Oostelbeers en Herselt; in de jaren 1620, 1621 en 1622 Melchior Cortbemde (?-1654), die tevoren als pastoor in de parochie Kalmthout werkzaam was geweest en later rector werd van het refugiehuis van de abdij te Mechelen, en in de periode 1622-1625 en misschien wel tot 1632 Thomas Cox (?-1633), vanaf 1632 pastoor van de parochie Mierlo.AAT, Sectie IV, bundel 136, no. 390, no. 405, no. 424, no. 452; Necrologium, 44, 48, 99. Deliën haalde de gegevens betreffende de door Van Emmerick in Enschot aangestelde deservitoren uit de aantekeningen daarover in het Manuale, maar daarin wordt geen melding gemaakt van Adrianus Driesmans voor het jaar 1619 en ook niet van Melchior Cortbemde voor het jaar 1620. Daardoor is zijn stelling dat Melchior Cortbemde in 1621 als eerste norbertijn in de parochie Enschot werd geplaatst niet juist. Deliën, 38.
Van Emmerick verrichte zijn taak als zielzorger te Tilburg naar behoren. De visitatieverslagen van Petrus Rysinghius, pastoor van de parochie Arendonk en landdeken van het dekenaat Hilvarenbeek waartoe de parochie Tilburg behoorde, vermelden geen enkele wanklank over de toestand van de parochie Tilburg. De verslagen betreffende de jaren 1620 en 1623 noemen de bediening van Tilburg zelfs een voorbeeld voor alle andere parochies.Kerkvisitaties van de Landdekens, 207, 209. Toch had Van Emmerick het in de Tilburgse parochie niet bepaald gemakkelijk. Hij ondervond veel hinder van het oplaaien van de vijandelijkheden tussen de Staatse en Spaanse legers na het aflopen van het Twaalfjarig Bestand (1621) en van de omstreeks diezelfde tijd in zijn parochies heersende besmettelijke ziekten. In zijn inboedelinventaris van 1625 meldde hij dat er onder de bevolking van zijn parochies grote armoede heerste vanwege de oorlogstoestand en dat hijzelf veel geld kwijt raakte aan het betalen van de door de oorlogvoerende partijen geëiste belastingen. Het bestrijden van de besmetting van de pastorie met de pest eiste financiële offers.AAT, Sectie IV, bundel 136, no. 452. Waarschijnlijk werd hij ondanks zijn pogingen de pest uit zijn pastorie te verdrijven toch nog het slachtoffer van deze gevreesde ziekte, want hij overleed op 1 september 1625.Van Spilbeeck, Petrus van Emmerick, 31.
Adrianus Eynthouts
Na de dood van Van Emmerick kreeg Adrianus Eynthouts de parochie Tilburg toegewezen. Hij werd in 1577 vermoedelijk te Aarle-Rixtel geboren als oudste zoon van jonker Joris van Eyndhouts en Cunera Fleru.De Gou, 129-131. Deze pastoor schreef zijn achternaam steeds op verschillende manieren. Hier wordt zijn naam gespeld op de wijze waarop hij de meeste van zijn inventarissen ondertekende, In het jaar 1600 trad hij toe tot de kloostergemeenschap te TongerloNecrologium, 35., volgde in 1603 enige tijd cursussen aan de universiteit te Leuven en was in 1604 reeds supprior en novicenmeester in de abdij.Deliën, 40. Eind 1607 werd hem de parochie Waalwijk toevertrouwd, waar tot die tijd de zielzorg was uitgeoefend door Adrianus Stalpaerts, die in 1603 tot coadjutor van abt Nicolaas Mudtsaerts werd benoemd en in die functie vaak niet in zijn parochie aanwezig was.Schutjes, V, 875. Eynthouts bleef achttien jaar in de parochie Waalwijk en leefde daar onder moeilijke omstandigheden, zoals blijkt uit het verslag van de in 1623 door de pastoors van Alem en Loon op Zand, Johannes van der Meijden en Gerardus Otten, uit naam van bisschop Zoesius ingestelde visitatie. De twee visitators meldden dat de pastoor in onmin leefde met zijn parochianen en dat de kerk in een deplorabele toestand verkeerde. De ramen van de kerk waren kapot, zodat regen, sneeuw en wind konden doordringen tot op het koor en het altaar. Deze toestand noodzaakte de pastoor het heilig sacrament met zich mee te nemen naar het klooster NazarethHet klooster Nazareth, bewoond door reguliere kanunikessen die leefden volgens de regel van Augustinus. Zie daarover: J. van der Hammen, "Het Klooster Nazareth te Waalwijk (+ 1450 - + 1750)", in: Bossche Bijdragen, II (1918-1919) 204-236., waar hij blijkbaar onderdak had gevonden. De situatie in deze door gereformeerden bewoonde en omringde parochie wordt vooral treffend in beeld gebracht door de constatering dat de doopvont in de kerk goed moest worden afgesloten om onbeschaamdheden van 'ketters' te vermijden.Kerkvisitaties onder bisschop Zoes, 198.
De overplaatsing naar Tilburg zal voor Eynthouts ongetwijfeld een regelrechte verademing zijn geweest. Hij trok de door zijn voorganger uitgezette lijn door. Landdeken Petrus Rysinghius kon dan ook in het visitatieverslag van 1627 nogmaals melden dat de parochie Tilburg nog steeds zeer voorbeeldig werd geleid.Kerkvisitaties van de Landdekens, 213. Lang heeft deze rust voor de nieuwe pastoor niet geduurd, want tijdens zijn pastoraat werd de stad 's-Hertogenbosch ingenomen door de Staatse troepen (1629), waarna door de daarop volgende politieke verwikkelingen de zielzorg in de Meierij ten zeerste werd bemoeilijkt, zoals hiervoor reeds werd verhaald.Zie pp. 22-23. Aanvankelijk werd te Tilburg niet gereageerd op de plakkaten die door de Staten-Generaal werden uitgevaardigd en die van de geestelijken in de Meierij ontruiming van hun kerken eisten ten behoeve van de gereformeerde eredienst. De in november 1629 door de kerkeraad van de Bossche gereformeerde gemeente naar Tilburg gezonden predikant Petrus Portenius uit 's-Gravenmoer, werd dan ook door de Tilburgse bevolking niet in de gelegenheid gesteld de kerk te betreden om er te preken. Hij moest onverrichterzake terugkeren naar zijn gemeente.Weijters, 26; Meindersma, 84-88. In de jaren 1630 en 1631 vonden er te Tilburg besprekingen plaats over de toestand in de Meierij tussen Staatse en Spaanse afgevaardigden.Zie daarover het in noot 75 aangehaalde werk pp. 16-26. De in verband met deze conferenties regelmatige aanwezigheid van Staatse functionarissen in Tilburg was er de oorzaak van dat de in 1629 weggehoonde Portenius toch nog een predikatie kon houden in de parochiekerk (27 januari 1630) en dat dit gebouw overeenkomstig de Staatse plakkaten voor de uitoefening van de katholieke godsdienst werd gesloten.Weijters, 26. Om de godsdienstoefeningen te Tilburg doorgang te laten vinden zond Eynthouts op 5 juni 1631 zijn kapelaan Jacobus Gravius naar bisschop Ophovius, om deze te verzoeken dispensatie te verlenen voor het opdragen van de heilige mis in gewone huizen van particulieren en in de open lucht.Het Dagboek van Michaël Ophovius, 219.
De Retorsie-tijd was voor Eynthouts in dubbel opzicht een zeer moeilijke periode. Dit vereist enige uitleg. Uit een briefwisseling tussen Ophovius en Eynthouts uit de jaren 1629-1631 blijkt dat over Eynthouts klachten waren binnen gekomen bij de bisschop. De pastoor zou wegens ziekte niet meer in staat zijn de parochie naar behoren te bedienen. Eynthouts had dit waarschijnlijk aangevoeld en schijnt de bisschop toestemming gevraagd te hebben een plaatsvervanger aan te mogen stellen. Ophovius had dit verzoek blijkbaar ingewilligd, maar toen Eynthouts op korte termijn geen geschikte persoon wist te vinden, stelde de bisschop hem voor de keuze meteen te zorgen voor een goede plaatsvervanger of anders terug te gaan naar de abdij. Daarbij maakte hij er geen geheim van dat wat hem betrof, de keuze op de laatste mogelijkheid mocht vallen. Tenslotte werd de kwestie geregeld doordat Ophovius op verzoek van Eynthouts kapelaan Gravius uitgebreide bevoegdheden verleende.Ibidem, 252-253, 315-316; Deliën, 40. Ophovius' oordeel over de zieke Eynthouts was hard. In zijn dagboek kwalificeerde hij hem op grond van bovengenoemde kwestie en vooroordelen ten aanzien van de familie van de pastoor, ingefluisterd door zijn officiaal, als een nietsnut, een dwaas.Het Dagboek van Michaël Ophovius, 253, 255. Daar staat tegenover dat Petrus Rysinghius in 1627 niets ten nadele van deze Tilburgse pastoor kon vermelden en dat hij bekend stond als een goed predikant.Necrologium, 35. De oorzaak van het slechte functioneren van Eynthouts moet dan ook niet gezocht worden in gebrek aan bekwaamheid, maar in de aard van zijn ziekte. Over de ziekte van de pastoor van Tilburg geve de correspondentie tussen Eynthouts en Ophovius en het door Ophovius bijgehouden dagboek geen informatie. De door Eynthouts in 1633 ingediende inboedelinventaris doet dat wel, zij het indirect. Onder de in deze inventaris opgegeven boeken komt namelijk een medisch werkje over nierstenen voor.Zie bijlage VIII, 186. Nu is het op zich niet vreemd dat een pastoor medische werken in zijn boekenkast had staan (op het platteland was enige medische kennis soms zelfs noodzakelijk, omdat er vaak geen geneesheer voorhanden was), maar het feit dat Eynthouts naast enige algemene medische werkenZie bijlage VIII, 171, 182, 183. juist dat ene, toch wel zeer speciale boekje over nierstenen bezat, doet vermoeden dat hij dat voor eigen gebruik had aangeschaft en dat hij aan een nierziekte leed. Dit verklaart de klachten over zijn gedrag. Door een slechte nierfunctie worden de afvalstoffen die het lichaam produceert als gevolg van de stofwisseling niet meer afgevoerd. Daardoor raakt het bloed langzaam vergiftigd en treedt bloedarmoede op, waardoor mensen die lijden aan nierziekten voortdurend moe zijn. Zij slapen 's nachts erg onrustig, zijn overdag suf, bewegen zich langzaam en denken traag. Kortom zij presteren minder.Zie daarover: S. Cameron, De feiten over nierziekten Amsterdam, 1983, met name pp. 27-28, 133-135.
Eynthouts nam in 1632 vanwege zijn gezondheid ontslag als pastoor van Tilburg.AAT, Sectie II, 878, fol. 45r. Lange tijd nam men aan dat hij daarna de parochie Enschot onder zijn hoede kreeg en dat daarmee in 1632 een einde kwam aan de vereniging van de beide parochies.Schutjes, V, 712; Van Loon, 101. Deliën toonde aan dat de parochie Enschot ook na 1632 nog door vicarissen of deservitoren werd bediend. Ook hij stelde dat Eynthouts van 1632 tot 1634 die functie te Enschot vervulde.Deliën, 40-42. Uit de inboedelinventaris van Eynthouts van 1633 blijkt echter dat hij in die tijd weer gewoon in de abdij verbleef. Hij vermeldde in zijn inventaris niets over het pastoraat of deservitorschap over Enschot en noemde zich in de aanhef slechts: "Religiosus Tongerloensis".AAT, Sectie IV, bundel 137/1, no. 508. Een aantekening van Eynthouts' opvolger te Tilburg, Augustinus Wichmans, in het door Petrus van Emmerick aangelegde Manuale brengt licht in deze zaak. De van Mierlo naar Tilburg overgeplaatste pastoor berichtte dat de op 20 februari 1634 te Tilburg overleden Eynthouts te Enschot ter aarde werd besteld, om de Staten-Generaal te misleiden.AAT, Sectie II, 878, fol. 45r. Eynthouts was dus blijkbaar nog regelmatig in Tilburg, maar enkel en alleen om zijn ontslag en de aanstelling van Wichmans voor de Staten-Generaal verborgen te houden, omdat dezen anders de vacante parochie Tilburg ten behoeve van een predikant zouden hebben opgeëist.
Augustinus Wichmans
In het jaar 1632 kreeg de parochie Tilburg een nieuwe pastoor in de persoon van Augustinus Wichmans. Geboren te Antwerpen als zoon van Godevaart Wichmans en Catharina van den Eynde kreeg hij bij zijn doop, op 7 januari 1596 in de Antwerpse Sint-Jacobskerk, de naam 'Franciscus' naar zijn peter, de geleerde Franciscus Sweerts of Sweertius (1569-1629).Van Spilbeeck, De Abdij van Tongerloo, 478. De naam 'Augustinus' nam hij aan bij zijn intrede in de abdij Tongerlo, waar hij op zeventienjarige leeftijd op 22 september 1613 de kloostergeloften aflegde.Ibidem, 479. Op 14 februari 1622 ingeschreven aan de universiteit van Leuven behaalde hij de graad van baccalaureus in de theologie.Schillings, V, 100, no. 398; Goovaerts, II, 388. Na zijn studie te Leuven werd hij op 23 april 1628 door abt Stalpaerts aangesteld tot novicenmeester. Naar eigen zeggen vervulde hij omstreeks diezelfde tijd ook de functie van circator in de abdij.Goovaerts, II, 388; AAT, Sectie II, 878, fol. 45r. In 1630 werd hij pastoor van Mierlo, waar hij de voetsporen drukte van de na de dood van Stalpaerts tot abt gekozen Theodorus Verbraecken, die hij later ook in die hoge functie zou opvolgen. In 1632 werd hij benoemd tot landdeken van het dekenaat Helmond.AAT, Sectie II, 878, fol. 45r. Laatstgenoemde functie heeft hij slechts korte tijd uitgeoefend, want reeds op 24 november 1632 stuurde abt Verbraecken hem naar de parochie Tilburg, maar ook tijdens dat pastoraat werd hij landdeken (dekenaat Hilvarenbeek) en wel op 3 februari 1633.AAT, Sectie II, 878, fol. 45r. Als pastoor van Mierlo onderhield Wichmans goede betrekkingen met bisschop Michael Ophovius. De Bossche bisschop had zich na de inname van zijn zetelstad in het voorjaar van 1630 te Geldrop gevestigd, op enkele kilometers afstand van Mierlo. Uit zijn dagboek blijkt dat Wichmans hem daar regelmatig bezocht.Het Dagboek van Michaël Ophovius, 103, 104, 107, 122, 125, 148, 153, 155, 161, 165-166, 170, 191, 194, 198, 220, 221, 229, 242, 250, 255, 260, 266.
Te Tilburg kreeg Wichmans, evenals Eynthouts twee jaar eerder, een predikant tegenover zich. Op 2 maart 1633 had de Bossche kerkeraad besloten opnieuw enige predikanten de Meierij in te zenden en enkele maanden daarna, op zondag 7 augustus, verscheen te Tilburg predikant Petrus Arleboutius begeleid door de hoogschout van Den Bosch met 200 ruiters. Tegen deze overmacht waren de Tilburgers niet opgewassen en zij raakten dan ook hun kerk aan de predikant kwijt. Arleboutius was uit een ander hout gesneden dan zijn voorganger Portenius en wist zich te Tilburg redelijk te handhaven. Wichmans zag zich genoodzaakt de bij de kerk gelegen school als gebedsruimte in te richten en daar zette hij, tot ongenoegen van de predikant, zijn werkzaamheden voort tot 21 december 1633. Op die dag nam hij met zijn parochianen de kerk gewoon weer in gebruik. Daarop verliet Arleboutius de parochie, maar alleen om verhaal te halen in Den Bosch en Den Haag. Zijn pogingen de Tilburgse kerk via een schrijven van de hoogschout van Den Bosch weer in zijn bezit te krijgen hadden geen succes, maar een bevel van de Staten-Generaal maakte indruk. Op 29 april 1634 ontruimden de Tilburgers wederom hun parochiekerk ten behoeve van de predikant. Enkele dagen later, op 2 mei, werd Arleboutius echter door het Spaanse garnizoen van Breda opgebracht en gevangen gezet en kreeg Wichmans de gelegenheid de kerk opnieuw in gebruik nemen. De predikant herkreeg pas op 26 augustus 1635 zijn vrijheid. Enkele maanden later, op 11 november, kwam hij voor de derde maal in Tilburg aan om de kerk op te eisen. Die keer gaf Wichmans echter niet toe waarop de geplaagde predikant Tilburg voorgoed verliet.Weijters, 28-30; gebaseerd op Arleboutius' verslag over zijn wederwaardigheden in de parochie Tilburg, getiteld: Cort Verhaal van het Gedenk-waardigste, 't welk is gepasseert omtrent mynen Dienst tot Tilborgh, uitgegeven in: Kerkhistorisch Archief, III (1865) 87-102; Archief voor Nederlandsche Kerkgeschiedenis, VII (1899) 402-410; Nederlandsch Archief voor Kerkgeschiedenis, I (1902) 386-393 en Taxandria, XV (1908) 200-220.
Intussen werden de plakkaten die de Staten-Generaal tegen de nog in de Meierij actieve katholieke priesters uitvaardigden in steeds strengere bewoordingen gesteld. Bovendien werden de bepalingen die daarin werden afgekondigd ingescherpt en uitgebreid. Zo verscheen op 2 februari 1636 een 'strickter placaet', waarin de geestelijken niet alleen te verstaan kregen dat ze hun werkzaamheden moesten staken, maar waarin hen ook werd aangezegd het grondgebied van de Meierij te verlaten. Deze nieuwe eis werd op 2 december 1636 aangevuld met de bepaling dat voortaan ook de aanwezigheid van autochtone priesters niet langer gewenst was en dat overtreding van deze maatregelen zou worden beboet met zeer hoge geldbedragen. Naar aanleiding van deze plakkaten achtte Wichmans het raadzaam Tilburg te verlaten. Hij trok zich terug in Alphen in de Baronie van Breda en bleef daar gedurende de resterende jaren van zijn Tilburgse pastoraat (1637-1642), zoals blijkt uit zijn aantekeningen in de doop- en trouwregisters.Weijters, 30-31.
Op 14 maart 1642 werd Wichmans te Brussel gekozen tot coadjutor van abt Theodorus Verbraecken. De benoeming werd al op 1 juli 1642 door de Spaanse koning, Philips IV, bekrachtigd, maar de brieven met deze officiële aanstelling bereikten Wichmans pas op 30 november van datzelfde jaar. Eerst op 11 januari 1643 werd hij te Tongerlo in zijn nieuwe functie geïnstalleerd.AAT, Sectie II, 878, fol. 45r. Theodorus Verbraecken stierf op 22 juni 1644.Van Spilbeeck, De abdij van Tongerlo, 476. Daarna werd coadjutor Wichmans tot abt gekozen, welke waardigheid hij bijna zeventien jaar lang zou bekleden, vanaf zijn mijtering op 10 juli 1644 door Joseph de Bergaigne, die in 1641 de in 1637 overleden Michael Ophovius als bisschop van Den Bosch was opgevolgd, tot aan zijn dood op 11 februari 1661.Van Spilbeeck, De Abdij van Tongerlo 483-495.
Als abt van Tongerlo had Wichmans vanaf 1647 zitting in de Staten van Brabant. In datzelfde jaar werd hij door de Raad van State als vierde kandidaat voor de door de dood van Joseph de Bergaigne vacant geworden Bossche bisschopszetel naar voren geschoven. Wichmans had echter weinig kans op het bisschopsambt, omdat hij op de nuntiatuur te Brussel als jansenist werd beschouwd.Weyns, "Augustinus Wichmans", 1007. Zie over de jansenistische sympathieën in de verschillende Brabantse norbertijner kloosters: N.J. Weyns, "De Brabantse Norbertijnen en het Jansenisme", in het tijdschrift: Analecta Praemonstratensia, XXIX (1953) 5-66 en over het jansenisme in de norbertijner orde als geheel: J.B. Valvekens, "De 'Iansenismo' in Ordine Praemonstratensi", in hetzelfde tijdschrift, XXXVI (1960) 132-140 en XLII (1966) 138-152.
Wichmans heeft verschillende geschriften nagelaten en aan diverse publicaties zijn medewerking verleend. Goovaerts stelde vast dat er in totaal 23 pennevruchten van hem verschenen.Goovaerts, II, 389-394. Onder dit grote aantal geschriften zijn zeker zestien op zichzelf staande werkjes te vinden, waarvan er zeven werden gedrukt. Deze zeven gedrukte werkjes van Augustinus Wichmans worden hier in chronologische volgorde in het kort besproken. De gegevens daarvoor werden ontleend aan Goovaerts.
- Epigrammata, de viris vitae sanctimonia illustribus, ex Ordine Praemonstratensi. Iuxta ea, quae è varijs Auctoribus collecta sunt, Per R. D. Aubertum Miraeum, Antverpiae Canonicum. Edidit Ioannes Baptista Wils. Antverpiensis, Leuven, J. Masius, 1615, 4º.
Dit werkje met Latijnse gedichten schijnt door Wichmans onder het pseudoniem Johannes Baptista Wils te zijn geschreven, maar het is echter nooit door Wichmans in zijn inventarissen vermeld.Zie bijlage XVI, 23; XVII, 24, 25, 26 en XVIII, 75. - Rosa candida et rubicunda, id est: V. Petrus Calmpthoutanus ex canonico Norbertino Ecclesie (sic) Tungerloensis Pastor in Haren, Crudelissimo martyrio a Geusiis interemptus Anno M.D.LXXII. Nunc vero per F. Augustinum Wichmans, S. T. Baccalaureum et ibidem Canonicum, vitae publicae restitutus. Antwerpen, H. Verdussen, 1625, 8º.
Levensbeschrijving van Petrus Janssens van Kalmthout, religieus van de abdij Tongerlo, die als pastoor van het Brabantse Haaren op 16 april 1572 door de geuzen van Brielle op wrede wijze in zijn pastorie werd vermoord.Van Spilbeeck, De Abdij van Tongerloo, 326-328; Necrologium, 73. - Apotheca spiritualium pharmacorum contra luem contagiosam aliosque morbos, Ex S. Scriptura, SS. Patribus & authenticis Historiis, desumptorum, antiquitate Ecclesiastica et Belgica, instructissima (...) Ad R. D. Michaelem Ophovium (...) denominatum. Antwerpen, H. Verdussen, 1626, 4º.
Dit werkje bevat geestelijke 'medicijnen' tegen besmettelijke ziekten en is opgedragen aan de Bossche bisschop Michael Ophovius. Het werd meestal tezamen uitgegeven met het volgende werkje dat in hetzelfde jaar bij dezelfde drukker verscheen en dat beschouwd kan worden als een aanhangsel van de "Apotheca", hoewel het met een eigen drukkersmerk en een aparte paginering werd uitgebracht. - Diarium Ecclesiasticum de Sanctis contra pestem tutelaribus, in quo quam plurimae Antiquitates Ecclesiasticae grata varietate explicantur. (Antwerpen, H. Verdussen, 1626, 4º).
- Sabbatismus Marianus in quo Origo, Utilitas en Modus colendi hebdomadatim Sabbatum in honorem Sanctissimae Deiparae explicantur. Antwerpen, G. van Tongeren, 1628, 8º. Verhandeling waarin de heiliging van de zaterdag ter ere van Maria wordt gepropageerd.
- Dissertatio historica de origine ac progressu Coenobii Postulani, Ordinis nivei S. Norberti, ad R. P. ac D. D. Ioannem Du Chesne, Dum in secundum Praesulem solemniter ibidem Benedicitur. Antwerpen, H. Verdussen, 1628, 4º.
Geschiedkundig werkje over de oorsprong van de norbertijner abdij Postel, opgedragen aan Johannes Du Chesne, abt van die abdij van 1626 tot 1636.Backmund, II, 326. Ook dit geschriftje werd niet door Wichmans in zijn inboedelinventarissen opgegeven.Zie noot 168. - Brabantia Mariana tripartita. Antwerpen, J. Cnobbaert, 1632, 4º.
Geschiedkundig werk over de verering van Maria in Brabant. Dit is Wichmans' meest bekende en belangrijke publicatie. Het bevat drie gedeelten. In het eerste deel wordt de Brabantse Maria-cultus in het algemeen belicht en in het tweede en het derde deel wordt een beschrijving gegeven van de verering van de heilige maagd in de Brabantse dorpen, steden en kloosters.
De overige door Wichmans apart geconcipieerde werkjes bestaan voor een groot deel in handschrift. Van deze door Wichmans nagelaten handschriften is verreweg het belangrijkste zijn Syntagma pastorale dat als ondertitel mee kreeg: de antiquitate et necessitate catechismi, de instructione pauperum, rudium agricolarum ac puerorum ad omnes pastores ecclesiasticos et eorum vicarios. Dit 211 bladzijden tellend boekwerkje met pastorale raadgevingen voor pastoors en vicarissen schreef Wichmans in 1641 "in Alphen loco exilii". Het handschrift bevat een imprimatur, afgegeven op 3 oktober 1641 door Gaspar Estricx, plebaan en boekencensor te Antwerpen, maar het werd nooit uitgegeven. Thans berust het in het archief van de abdij Tongerlo.Corthouts, 133.
Augustinus van Dijck
Nadat Wichmans naar de abdij was teruggehaald om abt Verbraecken te assisteren, kreeg de parochie Tilburg wederom vanuit Mierlo een nieuwe pastoor toegezonden, namelijk Augustinus van Dijck. Deze werd in 1604 te Duffel geboren en legde te Tongerlo op 1 februari 1625 de kloostergeloften af.Necrologium, 157. Twee jaar na zijn professie vertrok hij naar Rome om te studeren aan het door de abdij opgerichte college. In oktober 1627 kwam hij te Rome aan en begin 1632 keerde hij naar de abdij terug, in het gezelschap van zijn confrater en studiegenoot Fredericus van Gendt, die onderweg te Parma op 9 maart 1632 overleed.AAT, Sectie IV, Collegium Romanum, reg. 3, fol. 8r. Fredericus van Gendt werd in 1604 geboren te Waalwijk. Necrologium, 109. In de jaren dat Van Dijck te Rome verbleef, volgde hij vermoedelijk slechts twee jaar een studie aan het Romeins norbertijns college. Rond 1629 bekleedde hij daar namelijk een bestuursfunctie, waarschijnlijk die van provisor.Van Spilbeeck, De Abdij van Tongerloo, 457, noot 1. Eenmaal teruggekeerd in de abdij, werd Van Dijck spoedig ingezet in de zielzorg. Hij bracht enkele jaren door als vicaris in Diest (in de parochie van Onze Lieve Vrouw) en Duffel en kreeg in augustus van het jaar 1636 het pastoraat over Mierlo opgedragen.Necrologium, 157. Daar blonk hij uit door zijn parochianen tijdens een pestepidemie niet in de steek te laten, hoewel hij zelf als gevolg van besmetting het slachtoffer van deze ziekte dreigde te worden.Schutjes, V, 104. Na de pest het hoofd geboden te hebben, werd hij door de Retorsie-plakkaten toch nog gedwongen zijn parochie te verlaten. Om zijn parochianen zoveel mogelijk van dienst te kunnen zijn vestigde hij zich in het op korte afstand van Mierlo buiten de Meierij gelegen Gemert. Daar ontving hij op 24 januari 1643 de enkele weken eerder, op 7 januari, verstuurde opdracht van abt Verbraecken om de parochie Tilburg te gaan bedienen.AAT, Sectie II, 878, fol. 45v Als pastoor van Tilburg nam Van Dijck aanvankelijk zijn intrek in de abdijhoeve te Alphen, die ook Wichmans de laatste jaren van zijn Tilburgse pastoraat als woonstede had gebruikt, maar vanaf het jaar 1645 wist hij regelmatig, tegen forse betalingen een vrijgeleide te verkrijgen en woonde hij waarschijnlijk in de pastorie van Tilburg, het huis Moerenburg.Ibidem, fol. 45v, 69v en 70r.
De Vrede van Munster maakte aan de oorlogstoestand in de Meierij een einde, maar aangezien het gebied nu definitief tot de Republiek der Verenigde Nederlanden behoorde en zelfs samen met de Baronie van Breda en het Markiezaat van Bergen op Zoom als het Generaliteitsland Brabant rechtstreeks onder het gezag van de Staten-Generaal kwam te staan, was er van een verlichting van de situatie van de katholieken geen sprake. De maatregelen tegen de uitoefening van de katholieke godsdienst uit de Retorsie-tijd bleven onverminderd van kracht en de situatie voor de katholieke geestelijken verergerde zelfs doordat alle kerkelijke goederen werden geconfisqueerd. Bovendien werden er door de Bossche kerkeraad opnieuw pogingen in het werk gesteld om de bevolking van de Meierij voor het gereformeerde geloof te winnen en verschenen er voor de derde maal predikanten in de dorpen en steden van de Meierij. Voor Van Dijck betekende dit alles dat hij zijn bewegingsvrijheid, zijn kerk en bovendien zijn pastorie kwijt raakte. Zijn vrijgeleide van 19 februari 1648 werd niet meer verlengdIbidem, fol. 70r., in zijn kerk werd op 11 oktober 1648 de gereformeerde predikant Paridanus Lemannus geïnstalleerd.Abels/Wouters, XXXVIII, 137. Enkele weken later, op 22 oktober, moest hij zijn pastorie verlaten, omdat die in beslag genomen werd ten behoeve van de predikant, dit ondanks het feit dat het bezit betrof van de buiten de Meierij gelegen abdij Tongerlo.Van Loon, 102. Van Dijck vond in die moeilijke periode aanvankelijk onderdak in het huis van Johannes de Bondt in de wijk Veldhoven.AAT, Sectie II, 878, fol. 70v. In 1649 verhuisde hij naar het onderkomen van Georgius Verschueren, waar hij geruime tijd verbleef totdat hij in 1652 zijn intrek nam in het kasteel van de katholieke familie Schetz van Grobbendonck in de wijk de Hasselt.Ibidem, achterzijde, fol. 22v. Het kasteel van Tilburg was in het bezit gekomen van de familie Schetz van Grobbendonck, door het huwelijk van Anthony Schetz van Grobbendonck, bekend als gouverneur van 's-Hertogenbosch, die in 1629 die stad moest overgeven aan Frederik Hendrik, met Maria van Malsen, dochter van Huybert van Malsen, heer van Tilburg en Goirle. Adriaan van Malsen, Huyberts opvolger, stierf in 1621 kinderloos en in dat jaar kwam de heerlijkheid Tilburg en Goirle en daarmee ook het Tilburgse kasteel in het bezit van Maria en Anthony Schetz van Grobbendonck. Het kasteel bleef in het bezit van de familie Van Grobbendonck tot 1710. In dat jaar werd de heerlijkheid Tilburg en Goirle om financiële redenen door de familie verkocht aan de Duitse protestantse prins Willem van Hessen Kassel, die in die tijd dienst deed in de cavalerie van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Becx, "Over hoeven en hoevenaars", 35-36, 49-50. Zie over de opeenvolgende families die de heerlijkheid Tilburg en Goirle en dus het kasteel van Tilburg in bezit hadden ook: B. Dijksterhuis, Bijdragen tot de geschiedenis van de heerlijkheid Tilburg en Goirle, Tilburg, 1899. Van dit kasteel had Van Dijck al eerder gebruik gemaakt. In de jaren 1649 en 1650 had hij er regelmatig eucharistievieringen gehouden, bij welke gelegenheden de Tilburgse bevolking massaal aanwezig was, wat van de door Paridanus Lemannus in de kerk gehouden preekdiensten niet kon worden gezegd.AAT, Sectie II, 878, fol. 70v-71r. In 1648 woonden er slechts acht gereformeerden in Tilburg. In het jaar 1651 was dit aantal weliswaar uitgegroeid tot 40, maar dat aantal werd vermoedelijk hoofdzakelijk gevormd door van elders naar Tilburg gezonden Staatse ambtenaren en hun gezinnen. Na 1651 is de gereformeerde gemeente te Tilburg nauwelijks meer gegroeid. Weijters, 33. Vanaf november 1650 verplaatste Van Dijck zijn zielzorgactiviteiten naar het gehucht Steenvoort bij Poppel, in de Zuidelijke Nederlanden, waar hij een kapel had weten op te richten met geldelijke steun van zijn parochianen.AAT, Sectie II, 878, fol. 71r; Weijters, 33-35. Zie over deze kapel: D. de Jong, Grenskapellen voor de katholieke inwoners der Generaliteitslanden, Tilburg, 1963, 82-88, 122-133. Ook naar deze op 10 kilometer van Tilburg gelegen Steenvoortse kapel was de toeloop van parochianen groot. Door de aanhoudende financiële ondersteuning van zijn gelovigen kon Van Dijck in 1654 zijn nieuwe gebedsruimte aanmerkelijk uitbreiden.AAT, Sectie II, 878, fol. 71r; Weijters, 35. In de nabijheid van de kapel verrees in 1656 een huis dat als verblijfplaats voor de pastoor was bedoeld. Het is vrijwel zeker dat Van Dijck daarvan niet of nauwelijks gebruikt heeft gemaakt en dat hij tot aan zijn dood op 12 augustus 1664.Necrologium, 157. in het Tilburgse kasteel bleef wonen.AAT, Sectie II, 878, fol. 71v.
Met Augustinus van Dijck sluit de rij Tilburgse pastoors omtrent wier boekengebruik wij geïnformeerd zijn, want van geen enkele van zijn opvolgers uit de zeventiende eeuw is een inboedelinventaris bewaard gebleven.
