2. Analyse van de bibliotheek van vier Tilburgse pastoors uit de eerste helft van de zeventiende eeuw
De vier in het vorige hoofdstuk besproken opeenvolgende pastoors van Tilburg uit de eerste helft van de zeventiende eeuw, Petrus van Emmerick, Adrianus Eynthouts, Augustinus Wichmans en Augustinus van Dijck, hebben verschillende inboedelinventarissen nagelaten waarin informatie over de door hen gebruikte boeken voorkomt, zowel uit de tijd waarin ze nog niet in de zielzorg actief waren en te Tongerlo verbleven, als uit de periode waarin ze in de parochie Tilburg het pastoraat uitoefenden. Om een zo goed mogelijk beeld te krijgen van de lectuur die deze vier norbertijner pastoors vanwege hun scholing, uit persoonlijke interesse of ambtshalve gebruikten, wordt in de nu volgende bespreking van de door hen opgebouwde bibliotheken gebruik gemaakt van alle van hen bewaard gebleven inboedelinventarissen met gegevens over boeken. Eerst wordt in het kort de samenstelling van het boekenbezit van ieder van hen afzonderlijk vóór en tijdens hun Tilburgse pastoraat behandeld en daarna volgt een vergelijking van de door de vier te Tilburg gebruikte boeken.
2.1. De bibliotheek van Petrus van Emmerick
2.1.1. De inboedelinventarissen van Van Emmerick
Van Petrus van Emmerick zijn in totaal acht inboedelinventarissen bewaard gebleven. Een daarvan stelde hij in 1600 op als circator te Tongerlo.AAT, Sectie IV, bundel 134, no. 33. De overige zeven dateren uit de periode waarin hij de parochie Tilburg bediende.AAT, Sectie II, 878, fol. 18r-23r; AAT, Sectie IV, bundel, 135/2, no. 372; bundel 136, no. 390, no. 405, no. 424, no. 437, no. 452. Uit de tijd waarin hij te Diest als pastoor werkzaam was zijn geen inventarissen bewaard gebleven, maar uit het jaar van zijn overplaatsing van Diest naar Tilburg (1616) is van hem wel een opgave bekend van de inboedel die hij in de pastorie te Diest achterliet en in de pastoorswoning te Tilburg aantrof.AAT, Sectie IV, bundel 135/2, no. 273. In deze op 13 en 14 september 1616 door hem te Tongerlo ingeleverde opgaven vermeldde hij geen boeken. Daaruit kan worden opgemaakt dat hij de boeken die hij te Diest bezat waarschijnlijk meenam naar Tilburg. Slechts in zijn inventaris van 1600 en in zijn eerste als pastoor van Tilburg opgestelde inventaris (1618), heeft Van Emmerick een volledig overzicht gegeven van al zijn boeken. In zijn overige Tilburgse inventarissen verwees hij steeds naar het zeer uitvoerige geschrift van 1618 en beperkte hij zich tot aanvullingen daarop.
2.1.2. De boeken van Van Emmerick in 1600
De door Van Emmerick in zijn inboedelinventaris van 1600 vermelde boekenopgave werd al eens eerder aan een onderzoek onderworpen.Zie: L. Reypens, "De bibliotheek van Pieter van Emmerick (1574-1625)", in: Verslagen en Mededelingen der Koninklijke Vlaamsche Academie voor taal- en letterkunde, I (1923) 42-65. Bij die gelegenheid werd echter voornamelijk aandacht besteed aan de verspreiding naar vakgebied van de opgegeven titels en werd er geen overzicht gegeven van de achtergronden van de auteurs van de werken die door Van Emmerick werden vermeld. Bovendien bleek dat het in dat onderzoek opgegeven totale aantal werken niet helemaal juist was en dat door middel van de huidige bibliografische naslagwerken enkele titels nader geïdentificeerd konden worden. Daarom werd besloten af te zien van verwijzing naar de resultaten van dat onderzoek en werd een nieuwe analyse van de boekenopgave van het inventaris van 1600 uitgevoerd.In de uitgave van deze boekenlijst wordt wel naar het onderzoek van Reypens verwezen, namelijk bij de titels die door hem juist werden geïdentificeerd en waarover nader onderzoek geen nieuwe gegevens aan het licht heeft gebracht. Zie bijlage I.
Van enige systematiek is in de boekenopgave van Van Emmerick van 1600 nauwelijks sprake. Onder het hoofdje "Index librorum" staan de door hem gebruikte werken in willekeurige volgorde in kolommen onder elkaar. Van de meeste werken geeft hij een korte aanduiding van de auteur en de titel, maar van een aantal werken staat alleen de titel of alleen de auteur genoteerd. Verschillende werken staan op grond van een gemeenschappelijk vakgebied, titel of auteur bij elkaar, maar van deze systematische ordeningen is er geen enkele consequent doorgevoerd. Ook de informatie over de uitvoering van de werken is erg summier en willekeurig. Slechts bij enkele werken wordt melding gemaakt van het formaat of van het aantal delen of banden.
Zoals tabel 1.1 aangeeft.De tabellen zijn hier te vinden. bevat de boekenlijst gegevens over 131 werken. Daarvan is er één doorgehaald, namelijk het "Psalterium graecolatinum".Zie bijlage I, 32. Dat brengt het werkelijke aantal boeken dat Van Emmerick in 1600 bezat op 130.Reypens kwam bij de telling van Van Emmericks boeken uit op een totaal van 104 (zonder het "Psalterium graecolatinum"), maar hij telde de opgaven en niet het werkelijke aantal titels. Zo meldde hij bijvoorbeeld dat Van Emmerick slechts 4 muziekboeken bezat, terwijl deze toch duidelijk aangeeft dat hij op dat gebied zeker 16 werken in zijn boekenkast had staan (zie bijlage I, 87, 88 en 89). Het resterende verschil van 14 werken kan verklaard worden doordat ook de nummers 16, 28, 42 en 52 door Reypens niet juist werden geïnterpreteerd. Bij deze nummers is namelijk sprake van respectievelijk 4, 7, 5 en 2 aparte werken. Reypens, 44. Van die 130 werken werden er vier niet geïdentificeerdDe waarschijnlijk door Van Emmerick zelf te Leuven vervaardigde handschriften (zie bijlage I, 16). Betreffende de inhoud van die dictaten wordt namelijk niets meegedeeld., waardoor bij de analyse van de door Van Emmerick opgegeven boeken slechts kon worden uitgegaan van 126 werken. Onder deze 126 geïdentificeerde boeken komen er twaalf voor zonder een direct aanwijsbare auteur, voornamelijk bijbeluitgaven en liturgische werken, en bevinden zich vijf werken waarvan de auteur niet werd achterhaald omdat die niet werd opgegeven.De vijf muziekboeken vermeld onder nummer 89., zodat er dus sprake is van 109 werken met geïdentificeerde auteurs.
Tabel 1.2 laat zien dat de 109 werken met geïdentificeerde auteurs op rekening komen van 83 verschillende schrijvers. Dit duidt op een grote verscheidenheid onder de opgegeven werken. Het aantal auteurs met meer dan één werk is dan ook gering. De kerkvader Augustinus is met twee werken vertegenwoordigd, evenals Marcus Tullius Cicero, de jezuïet Franciscus Costerus, de bekende humanist Desiderius Erasmus en de broeder van het gemene leven Gerardus Zerbolt van Zutphen. Van de humanisten Johannes Ludovicus Vives en Simon Verepaeus bezat Van Emmerick respectievelijk drie en vier werken. De meest belangrijke auteurs van deze lijst zijn wel de dominicaan Ludovicus Granatensis, die met zeven werken in de bibliotheek aanwezig was. Voor de componist Roland de Lassus, gaf Van Emmerick maar liefst elf werken op, zowel in druk als in handschrift.
Wanneer we de achtergronden van de verschillende auteurs wat nader bekijken (de tabellen 1.3, 1.4 en 1.5), dan blijkt dat Van Emmerick voornamelijk werken bezat van auteurs uit de zestiende eeuw, dat het merendeel van de auteurs afkomstig was uit de Nederlanden, vooral de Zuidelijke Nederlanden, en katholieke landen zoals Frankrijk, Spanje en Italië en verder dat de meeste van zijn werken werden geproduceerd door geestelijken. Hierbij valt op dat de reguliere geestelijken weliswaar met meer werken vertegenwoordigd zijn dan de seculiere geestelijken, maar dat dit voornamelijk wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van de zeven werkjes van de hier boven genoemde dominicaan Ludovicus Granatensis.
Bezien we de inhoud van de door Van Emmerick opgegeven boekwerken (tabel 1.6), dan moeten we constateren dat zijn bibliotheek van 1600 geen uitgesproken kerkelijk karakter droeg. De boeken met kerkelijke signatuur vormden weliswaar de meerderheid in zijn boekenkast en hij bezat ook wel op elk belangrijk theologische gebied de nodige werken, maar daar staat tegenover dat van de drie categorieën die het meest nadrukkelijk aanwezig waren, taal- en letterkunde, spiritualiteit en overigen (muziek), er twee niet tot de kerkelijke literatuur hoorden, waardoor het geringe procentuele verschil tussen de kerkelijke en de profane literatuur in de bibliotheek nauwelijks in het voordeel van het eerste genre kan worden uitgelegd.
Op het gebied van de taal- en letterkunde had Van Emmerick een brede interesse. Hij bezat werken van belangrijke klassieke auteurs, zowel Latijnse (Cicero, Ovidius, Suetonius en Valerius Maximus) als Griekse (Hesiodus en Xenophon) en de aanwezigheid van enige Latijnse grammaticale werken van Verepaeus en Linacer en Griekse van Rulandus, Varennius en Fabricius doet vermoeden dat hij zich intensief bezig hield met de Latijnse en Griekse taalkunde. De Hebreeuwse grammatica getuigt van een belangstelling voor een derde oude taal, maar uit de opgave van een aantal literaire werken van bekende humanisten zoals Ambrosius Fraccus, Paulus Manutius, Marcus Antonius Muret, Francesco Petrarcha en Marcus Hieronymus Vida blijkt dat de interesse van de Tongerlose circator in de taal- en letterkunde verder ging dan het bestuderen van oude auteurs ten behoeve van zijn taalvaardigheid.
2.1.3. De boeken van Van Emmerick te Tilburg (1618-1623)
Over het boekenbezit van Van Emmerick tijdens zijn pastoraat te Tilburg bevat zoals reeds aangegeven alleen zijn inboedelinventaris uit 1618 uitvoerige informatie. Deze inventaris, door hem op 7 juni 1618 te Tongerlo ingediend, bevindt zich in zijn Manuale, waaruit blijkt dat hij dit notitieboekje in zijn geheel aan de abt overhandigde om zich te verantwoorden voor zijn werkzaamheden in de parochie Tilburg. Deze inventaris van 1618 was de eerste inventaris die Van Emmerick als pastoor van Tilburg indiende en geeft dan ook een uitgebreide beschrijving van de inboedel van de Tilburgse pastorie. Die beschrijving is zeer systematisch uitgevoerd en is in een aantal hoofdstukken ingedeeld. Het is mogelijk dat dit door Van Emmerick zelf werd uitgedacht, maar de na de inboedelbeschrijving volgende notering van alle aan het pastoraat verbonden lasten, doet vermoeden dat de pastoor zich bij het opstellen van zijn inventaris bediende van een voorbeeld of een soort handleiding. De indeling in hoofdstukken wordt namelijk in dit gedeelte van het inventaris wel voortgezet, maar de informatie omtrent de verschillende aan de orde komende onderwerpen wordt beperkt tot verwijzingen naar pagina's elders in het Manuale.
Van Emmerick heeft in zijn latere Tilburgse inboedelinventarissen herhaalde malen teruggegrepen naar de in deze uitvoerige inventaris vastgelegde informatie. De aanvullingen op dit inventaris heeft hij niet alleen genoteerd in die wél op losse vellen papier ingeleverde inventarissen, maar ook in het Manuale bij het inventaris van 1618. Dit geldt ook voor de daarin voorkomende boekenopgave. Bij de in het tweede hoofdstuk onder het hoofdje "Cathalogus librorum" opgegeven boeken staat zelfs uitdrukkelijk in de marge: "anno 1621", ten teken dat de boekenlijst tot dat jaar werd aangevuld. Dit blijkt ook uit enkele boekenopgaven. De opgegeven preekbundel van Johannes Bodenus bijvoorbeeld werd namelijk pas in 1621 voor het eerst gedrukt. Dit werkje werd dan ook later in de boekenlijst opgenomen, waarbij het op inventieve wijze op een open regel tussen de andere werken werd gevoegd, zonder de alfabetische volgorde van de boekenopgave te verstoren.Zie bijlage II, 76. Een ander boek dat na 1618 werd toegevoegd is het commentaar van Thomas van Aquino op de brieven van de apostel Paulus.Zie bijlage II, 89. Dit blijkt niet uit de plaats van het werk in de alfabetische volgorde, maar wel uit de manier waarop het genoteerd werd. De auteur en de titel van dit werk werden namelijk, nauwelijks leesbaar, tussen de opgaven van het andere werk van Thomas van Aquino en het werk van Thomas Stapleton opgetekend. Waarschijnlijk bevinden zich onder de in dit inventaris opgegeven boeken nog meer werken die na 1618 werden aangeschaft. Van Emmerick vermeldde namelijk in zijn inboedelinventarissen van 1620 en 1621 respectievelijk bedragen van 6 gulden en 7 stuivers en 5 gulden en 7 stuivers als uitgaven voor "Libri et imagines (chartae)".AAT, Sectie IV, bundel 136, no. 390 en no. 405. Helaas gaf hij daarbij niet aan op welke boeken een en ander betrekking had. Pas in zijn inboedelinventaris van 1622 zou hij weer auteurs en titels van nieuw aangeschafte werken opgeven. Daaruit blijkt dat hij de in 1620 en 1621 gekochte boeken in het inventaris van 1618 heeft bijgeschreven en dat de in deze inventaris voorkomende boekenlijst eigenlijk op 1621 moet worden gedateerd.
Zoals in het bovenstaande reeds is aangegeven werd de boekenlijst van 1618-1621 in tegenstelling tot die van 1600, wél op een bepaalde manier geordend. Deze ordening is in principe alfabetisch, maar het uitgangspunt is niet steeds hetzelfde en daardoor is er dus toch nog sprake van enige willekeur. Van Emmerick rangschikte namelijk enkele werken op de achternaam van de auteur, de meesten op diens voornaam en weer anderen op hun titel. Over het formaat van de boeken en hun aantal delen of banden verschafte Van Emmerick ook in dit inventaris slechts bij sommige werken nadere gegevens. Duidde hij in het vorige inventaris het aantal delen of banden aan met de term "volumines", in de boekenlijst van 1618-1621 gebruikte hij daarvoor naast deze benaming de aanduiding "partes", hetgeen op het eerste gezicht doet vermoeden dat hij een onderscheid maakte tussen tekstgedeelten en banden. Vergelijking van de twee boekenlijsten leert echter dat dit niet het geval is. Van Emmerick gebruikte de termen "volumines" en "partes" door elkaar.Vergelijk bijlage I, 5, 10, 17, 41 en 42 met bijlage II, 18, 88, 33, 46 en 45. Over het algemeen genomen duidde hij met beide termen het aantal banden van een boekwerk aan.Als er bij de bespreking van de opgegeven werken in de bijlagen sprake is van "delen", dan betreft het het aantal tekstgedeelten van een werk, verdeeld over even zovele banden. Als er echter op een of andere manier verschil bestaat, dan wordt dat aangegeven door zowel het aantal (tekst)delen als het aantal banden aan te duiden.
De informatie over het aantal werken en het aantal auteurs van de boekenlijst van 1618-1621 is weergegeven in de tabellen 1.1 en 1.2, naast die van de boekenlijst van 1600. Uit deze gegevens blijkt dat Van Emmerick in zijn tweede boekenlijst 122 werken noteerde. Onder die 122 werken vermeldde hij enkele geschriften die klaarblijkelijk tot de administratie van de parochie behoorden. Deze werden dan ook bij de analyse buiten beschouwing gelaten.Zie bijlage II, 96 en 97. Slechts één werk kon niet worden geïdentificeerd.Het met "1 libellus de passione Domini" aangeduide werk, vermeld onder nummer 94. en van de 119 wel geïdentificeerde werken kon van twee de auteur niet met zekerheid worden vastgesteld, omdat die door Van Emmerick niet werd opgegeven.Zie bijlage II, 44 en 87. Vergeleken met de lijst van 1600, bevat de Tilburgse boekenlijst van 1618-1621 een groter aantal werken zonder direct aanwijsbare auteur. Dit geeft al aan dat de lijst van 1618-1621 een ander karakter vertoont dan de in 1600 opgestelde lijst. We zullen daar later nog op terug komen, als we de inhoud van de werken bespreken.
Ook Van Emmericks Tilburgse bibliotheek bevatte een vrij groot aantal verschillende auteurs. In de boekenlijst van 1618-1621 komen 64 verschillende auteurs voor, met in totaal 97 werken. Van deze 64 auteurs zijn er zeven met twee werken aanwezig (Thomas van Aquino OP, de kerkvader Augustinus, de seculier Petrus Binsfeldius, de jezuïeten Johannes van Gouda en Emmanuel Sa, de franciscaan Adam Sasbout en de seculier Thomas Stapleton), heeft er slechts één drie werken op zijn naam (de jezuïet Franciscus Costerus) en zijn met ieder zes werken de dominicaan Ludovicus Granatensis, de Zuidnederlandse componist Roland de Lassus en de jezuïet Leonardus Lessius de belangrijkste auteurs, want omtrent de aanwezigheid in de bibliotheek van tien werken van de kerkvader Johannes Chrysostomus bestaat geen zekerheid.Zie bijlage II, 49.
Vergelijken we de achtergronden van de auteurs van de boekenlijst van 1618-1621 met die van 1600 (de tabellen 1.3, 1.4 en 1.5), dan kunnen we constateren dat die in grote lijnen hetzelfde beeld laten zien, maar dat er toch sprake is van enkele accentverschuivingen. Zo bevat de bibliotheek van 1621 meer werken van auteurs die leefden in de periode 1550-1650. Dat geeft aan dat Van Emmerick in 1621 meer recente literatuur bezat dan in 1600.Aan het in verhouding grote aantal werken van auteurs uit de periode vóór 500 moeten we hier vooralsnog voorbij gaan, omdat daaronder de tien werken van Johannes Chrysostomus voorkomen, waarover, zoals reeds aangegeven, onduidelijkheid bestaat. Gelet op de geografische herkomst van de auteurs vanaf 500 valt op dat in de bibliotheek van 1621 auteurs uit de Zuidelijke Nederlanden en Spanje nadrukkelijker aanwezig waren en dat Van Emmerick in 1621 slechts enkele werken van Franse auteurs bezat. Bezien we de kerkelijke status van de auteurs van de in de twee inventarissen opgegeven werken, dan blijkt dat Van Emmerick in 1621, vergeleken met zijn lijst van 1600, een sterkere voorkeur had voor de geschriften van reguliere geestelijken en dat vooral de boekwerken van franciscanen, dominicanen en jezuïeten een belangrijke plaats innamen in zijn Tilburgse boekenkast.
De gegevens over de spreiding van de werken naar vakgebied (tabel 1.6) laten zien dat Van Emmericks interesse in 1621 voornamelijk lag op het gebied van de praktische theologie, uiteraard een gevolg van het feit dat hij al enige jaren als zielzorger werkzaam was. De lijst van 1621 bevat, zeker in vergelijking met die van 1600, een vrij hoog percentage kerkelijke literatuur. Op bijna alle theologische vakgebieden had Van Emmerick in 1621 minstens evenveel literatuur als in 1600. Slechts de categorie spiritualiteit is in de boekenopgave van 1621 als enige minder sterk vertegenwoordigd. Daar staat echter tegenover dat de pastoor te Tilburg belangrijk meer literatuur bezat op het gebied van de exegese, de moraaltheologie en de homiletiek en dat hij ook zijn boekenbezit in de categorieën controverstheologie, liturgie en kerkelijk recht sinds 1600 aanmerkelijk had uitgebreid. Het genre profane literatuur is in de lijst van 1618-1621 nauwelijks meer aanwezig. Van Emmerick had in 1621 zijn belangstelling voor de taal- en letterkunde verloren, maar zijn interesse in muziek was niet verdwenen (zes werken met muziek van De Lassus in de categorie overigen), hoewel hij ook op dat gebied te Tilburg beduidend minder werken bezat.Van Emmerick gaf in zijn inboedelinventaris van 1600 op dat hij in het bezit was van een clavecimbel en een clavichord. In de in 1616 opgestelde opgaven van de inboedels van de pastoorswoningen van Diest en Tilburg wordt omtrent deze muziekinstrumenten niets meegedeeld. In het inboedelinventaris van 1621 staat echter weer wel een clavecimbel vermeld. Hieruit blijkt dat Van Emmerick dit instrument meenam naar Diest en Tilburg. In de parochie Tilburg heeft Van Emmerick het waarschijnlijk regelmatig bespeeld, want blijkens het inventaris van 1621 stond het in de huiskamer van de pastorie. AAT, Sectie IV, bundel 134, no. 33 en bundel 135/2, no. 273; AAT, Sectie II, 878, fol. 22r.
Uit het bovenstaande blijkt dat Van Emmericks boekenbezit in 1621 anders was samengesteld dan in 1600. Toch bestond zijn bibliotheek van 1621 voor de helft uit boeken die hij in 1600 ook al bezat. Van zeker 49 werken kan namelijk worden vastgesteld dat hij ze zowel in 1600 als in 1621 gebruikte.Zie bijlage II, 2, 3, 8, 11, 17, 18, 19, 20, 21, 25, 28, 33, 34, 35, 36, 39, 42, 43, 45, 46, 52, 56, 69, 70, 71, 73, 77, 78, 80, 82, 84, 88, 91, 92 en 95. Vreemd genoeg wordt hierdoor juist het verschil in karakter tussen de twee bibliotheken verklaard, want van die 49 werken behoren er 39 tot de categorieën van de kerkelijke literatuur en slechts tien tot die van de profane literatuur. Daaruit valt af te leiden dat Van Emmerick in de tussen 1600 en 1621 liggende jaren zijn lectuur geleidelijk aan ging selecteren vanuit een andere interesse, voornamelijk bepaald door zijn activiteiten als zielzorger in de parochies Diest en Tilburg.
Blijkens zijn inboedelinventarissen breidde Van Emmerick na 1621 zijn bibliotheek ieder jaar uit met nieuwe werken, maar alleen in de door hem in de jaren 1622 en 1623 opgestelde inventarissen gaf hij een beschrijving van die boekwerken. In zijn inventaris van 4 juli 1622 meldde hij dat de boekenlijst van het inventaris van 1618 moest worden aangevuld met de werken: "Anthonii Sucquet Via Vitae, Alvarus de vita Religiosa in 2 partibus, Commentarius super psalmum miserere, Brevis explicatio Regulae Sancti Patris nostri Augustini, Brevis exhortatio ad Religiosos nostri ordinis per R. D. Abbatem Parcensis, Breviarium ordinis novum in 2 partibus" en in zijn inventaris van 12 juli 1623 noteerde hij de aanschaf van: "Groote Kerkelycke Historie f. Dionysii Mudtsarts".Antoine Sucquet SJ, Via Vitae aeternae (zie bijlage VIII, 189); Jacobus Alvarez de Paz SJ, De vita religiose instituenda (zie bijlage VIII, 160); Fridericus Fornerus, Conciones in psalmum miserere (zie bijlage XX, 29); Laurentius Landtmeter OPraem., Commentarius brevis ad regulam S. P. N. Augustini (zie bijlage VIII, 44); Johannes Drusius OPraem., Exhortatio ad Candidi Ordinis Praemonstratensis Provinciae Brabantiae Religiosos (zie bijlage VIII, 46); Breviarium ad usum sacri et Canonici ordinis Praemonstratensis, Parijs, S. Cramoisy, 1621, 8° (Bohatta, 994 (foutief gedateerd op 1622); Goovaerts, IV, 235; Valvekens (1927), 260-261); Dionysius Mudtsaerts OPraem., De Kerckelycke Historie van de gheboorte onses Heeren Iesu Christi tot het tegenwoordich iaer 1622 (zie bijlage XVI, 2). AAT, Sectie IV, bundel 136, no. 424 en no. 437. Uit de aanschaf van deze boeken blijkt dat Van Emmerick vrij goed op de hoogte was omtrent het verschijnen van nieuwe uitgaven. De meeste van deze werken kocht hij namelijk kort nadat ze voor het eerst waren gedrukt. Betreffende de werken van zijn confraters Landtmeter en Mudtsaerts is dat natuurlijk niet vreemd. Waarschijnlijk heeft hij zelfs het ontstaan van deze werken van nabij meegemaakt. Ook de snelle aankoop van het boek van Drusius, de abt van de norbertijner abdij Park, en van het nieuwe brevier van de orde is op zich niet opmerkelijk, maar het geeft wel aan dat Van Emmerick de ontwikkelingen binnen de orde op de voet volgde. Verder mag de aanschaf van de boeken van Antoine Sucquet en Jacobus Alvarez de Paz tekenend genoemd worden voor Van Emmericks aankoopbeleid in de jaren na 1600, in de zin dat het geschriften betreft van een Zuidnederlandse en een Spaanse jezuïet.
2.2. De bibliotheek van Adrianus Eynthouts
2.2.1. De inboedelinventarissen van Eynthouts
Ook van Adrianus Eynthouts zijn acht inboedelinventarissen bewaard gebleven. Daarvan zijn er vier uit de periode waarin hij nog niet in de zielzorg actief was. Ze werden opgesteld in de jaren 1601, 1602, 1604 en 1607 en bevatten alle vier een boekenlijst.AAT, Sectie IV, bundel 134, no. 46, no. 50, no. 68 en no. 85. Van de door Eynthouts als pastoor van Waalwijk opgestelde inventarissen zijn er slechts twee bewaard gebleven en wel uit de jaren 1610 en 1617.AAT, Sectie IV, bundel 135/1, no. 139 en bundel 134, no. 90 (het inventaris uit 1617 staat in het abdijarchief geregistreerd als een inventaris uit 1607, wat vermoedelijk berust op het feit dat de datering van het inventaris niet juist werd getranscribeerd door degene die de inboedelinventarissen als een apart onderdeel van het archief bijeen bracht). In het inventaris van 1610 bevindt zich een uitgebreide boekenlijst, maar in dat van 1617 komt slechts een opgave van nieuw aangeschafte werken voor. Uit Eynthouts' Tilburgse periode is maar één inventaris bekend, namelijk uit 1626, het eerste door hem in de parochie Tilburg opgestelde inventaris.AAT, Sectie IV, bundel 136, no. 453. Het meldt hoofdzakelijk gegevens over de inkomsten en uitgaven tijdens het eerste jaar van zijn verblijf in de Tilburgse parochie (16 oktober 1625 - 16 oktober 1626) en bevat geen uitvoerige inboedelbeschrijving, maar wel aanvullingen op de in het laatste vanuit Waalwijk ingediende inventaris vermelde inboedel. Dit betekent dat Eynthouts zowel boeken als inboedel uit Waalwijk meenam naar Tilburg. Na zijn ontslag als pastoor van Tilburg trok Eynthouts zich terug in de abdij. Daar stelde hij in 1633 een inventaris op dat waarschijnlijk zijn laatste is geweest, aangezien hij op 20 februari 1634 overleed.AAT, Sectie IV, bundel 137/1, no. 508. (Zie p. 39). Deze inventaris beschrijft een groot aantal boeken en dat doet vermoeden dat Eynthouts het merendeel van zijn te Tilburg verzamelde boeken ook nog in 1633 in de abdij in gebruik had.
2.2.2. De boeken van Eynthouts in de jaren 1601-1607
De boekenlijsten van de door Eynthouts in de jaren 1601, 1602, 1604 en 1607 ingediende inboedelinventarissen vertonen een bepaalde samenhang. Om die reden worden ze hier tegelijk besproken. De gegevens over elk van deze boekenlijsten afzonderlijk zijn te vinden in de tabellen 2.1 tot en met 2.6.
In de boekenlijst van 1601 staan de werken in twee kolommen onder elkaar en in de andere drie lijsten slechts in één kolom. De lijsten bevatten weinig informatie over de uitvoering van de opgegeven boeken en in alle vier ontbreekt een echte systematische ordening. Evenals in de boekenlijst van Van Emmerick van 1600 staan in deze lijsten van Eynthouts wel enkele boeken groepsgewijze bij elkaar, maar steeds op basis van een ander ordeningsprincipe. Ook in deze lijsten fungeren namelijk zowel de vakgebieden als de titels en de auteurs van de werken afwisselend als gemeenschappelijke noemer.
Uit tabel 2.1 blijkt dat de vier lijsten respectievelijk 96, 75, 90 en 103 opgaven bevatten. In totaal komen in deze vier lijsten dus 364 opgaven voor. Daaronder bevinden zich 182 verschillende werken. Daarvan werden er vier niet geïdentificeerd.Het betreft de opgaven: "Dictata Adriani Smets", "Libellus de decem praeceptis cuius authorem nescio" (een boekje over de tien geboden waarvan ik de auteur niet weet), "Loci communes" van een zekere Johannes, wiens naam door uitgelopen inkt onleesbaar is, en "Theses Theologicae" (zie bijlage III, 42 en 67; bijlage IV, 54 en bijlage V, 63). Van drie andere kon de naam van de auteur niet worden achterhaald, omdat Eynthouts die niet vermeldde.De handschriften: "Dictata de Sacramentis", "Dictata in metaphysicam" en "Dictata in pentateuchum" (zie bijlage IV, 38 en 39 en bijlage VI, 42). Onder de overige 177 werken zijn verspreid over de vier lijsten 22 werken zonder direct aanwijsbare auteur te vinden en in totaal 153 verschillende werken met auteur, geproduceerd door 119 verschillende auteurs.Over twee van deze auteurs werden geen gegevens gevonden (Bandinus en Philipp Ulstadt, zie bijlage III, 51 en bijlage VI, 73) en van een van hen kon de status niet met zekerheid worden vastgesteld (Michael de Hungaria, zie bijlage VI, 53). Deze auteurs werden bij gebrek aan gegevens niet opgenomen in de tabellen 2.3 en 2.5 en daarom verschillen de eindtotalen van deze tabellen met die van tabel 2.2. Slechts 21 auteurs zijn met meer dan één werk in de vier lijsten aanwezig. Ze worden hieronder in een overzicht weergegeven:
Auteurs met meer dan één werk in de boekenlijsten van Adrianus Eynthouts uit de jaren 1601-1607:
| Auteurs | Status: | 1601: | 1602: | 1604: | 1607: |
| Augustinus | kerkvader | 2 | - | - | - |
| Binsfeldius, Petrus | seculier | - | - | 2 | - |
| Cicero, Marcus Tullius | klassiek auteur | 5 | 4 | 4 | 4 |
| Clarius, Johannes | seculier | - | - | - | 2 |
| Clenardus, Nicolaus | seculier | 2 | 2 | - | - |
| Collegium Conimbicensis | jezuïeten | - | - | 2 | 2 |
| Costerus, Franciscus | jezuïet | - | - | 2 | 2 |
| Dionysius Carthusianus | kartuizer | - | 2 | - | - |
| Erasmus, Desiderius | seculier | 3 | - | 2 | 2 |
| Granatensis, Ludovicus | dominicaan | 2 | 2 | - | - |
| Guiliaudus, Claudius | seculier | 2 | 2 | - | - |
| Hunnaeus, Augustinus | seculier | - | 2 | 2 | 2 |
| Lipsius, Justus | katholieke leek | - | - | 3 | 3 |
| Pererius, Benedictus | jezuïet | - | - | 2 | 3 |
| Sancto Audomaro, Petrus a | benedictijn | - | - | 2 | 2 |
| Staphylus, Fredericus | katholieke leek | 2 | - | - | - |
| Stapleton, Thomas | seculier | - | - | 2 | - |
| Sasbout, Adam | franciscaan | - | - | - | 2 |
| Titelmans, Franciscus | franciscaan | - | - | - | 2 |
| Verepaeus, Simon | seculier | 3 | - | 2 | - |
| Vladeraccus, Christophorus | katholieke leek | 2 | - | - | - |
Gelet op de aantallen werken doen deze 21 auteurs niet voor elkaar onder qua belangrijkheid. Slechts de klassieke auteur Marcus Tullius Cicero neemt in dit rijtje een opvallende plaats in. Hij is als enige van de 21 in elke lijst met meer dan één werk aanwezig en is in alle lijsten de best vertegenwoordigde auteur. Verder is het opmerkelijk dat onder deze 21 belangrijkste auteurs in verhouding veel seculiere geestelijken voorkomen en dat brengt ons bij de achtergronden van de auteurs van de door Eynthouts in de vier boekenlijsten opgegeven werken.
Volgens tabel 2.3 ontwikkelde Eynthouts pas in 1604 en 1607 een voorkeur voor recente literatuur. In zijn boekenlijsten van 1601 en 1602 vormen de werken van auteurs uit de zestiende eeuw weliswaar de meerderheid, maar in deze lijsten is het procentuele verschil tussen de schrijvers uit de zestiende eeuw en die uit de andere perioden niet zo duidelijk als in de twee latere lijsten. Bovendien bevatten de lijsten van 1604 en 1607 belangrijk meer werken van auteurs die leefden rond de eeuwwisseling van de zestiende en de zeventiende eeuw dan de lijsten van 1601 en 1602. Eenzelfde onderscheid tussen de vier lijsten valt te constateren als de in de tabellen 2.4 en 2.5 vastgelegde gegevens over de geografische herkomst en de kerkelijke status van de opgegeven auteurs wordt bestudeerd. In iedere lijst ligt de nadruk op de uit de Nederlanden afkomstige auteurs, maar in de lijsten uit 1601 en 1602 zijn vooral de Noordnederlandse auteurs in de meerderheid, terwijl in de lijsten uit 1604 en 1607 duidelijk de Zuidnederlandse auteurs de overhand hebben. Een ander opvallend verschil betreffende de geografische herkomst van de auteurs van de lijsten uit 1601 en 1602 enerzijds en die van de lijsten uit 1604 en 1607 anderzijds ligt in het aantal Spaanse schrijvers. In de lijsten uit 1601 en 1602 komt slechts één Spaanse auteur voor (de dominicaan Ludovicus Granatensis met de werkjes "Dux peccatorum" en "Memoriale vitae christianae"), terwijl in de lijsten uit 1604 en 1607 juist de Spaanse schrijvers na de Zuidnederlandse de belangrijkste categorie vormen. Bekijken we de kerkelijke status van de auteurs van de vier boekenlijsten, dan valt er vooral een onderscheid te maken tussen de twee eerste en de twee latere lijsten op grond van de informatie over de aanwezigheid van seculiere en reguliere geestelijken onder de auteurs. In iedere lijst komt drie kwart van de opgegeven werken op rekening van seculieren en regulieren tesamen. In de lijsten van 1601 en 1602 nemen de seculieren de belangrijkste plaats in, maar in de lijsten van 1604 en 1607 juist de regulieren, omdat Eynthouts in de jaren na 1602 vooral meer werken van dominicanen en jezuïeten in zijn bibliotheek opnam. De tabel met gegevens over de spreiding der werken naar vakgebied (tabel 2.6) laat een minder duidelijke verdeling van de vier lijsten zien.
Het globale beeld van de vier boekenopgaven dat uit deze tabel oprijst doet sterk denken aan dat van de lijst van Van Emmerick uit 1600. Ook in de vier boekenlijsten van Eynthouts ligt namelijk veel nadruk op de profane literatuur, ondanks het feit dat er procentueel meer kerkelijke literatuur in voorkomt. In iedere lijst is namelijk een categorie in het genre profane literatuur het meest nadrukkelijk aanwezig. In de lijsten van 1601, 1602 en 1604 is dat de categorie taal- en letterkunde en in de lijst van 1607 die van de wijsbegeerte, staatkunde en wetenschappen. In dit opzicht lijkt vooral Eynthouts' eerste lijst sterk op die van Van Emmerick. Evenals Van Emmerick in 1600 bezat Eynthouts in 1601 namelijk vrij veel werken op het gebied van de taal- en letterkunde. De vergelijking houdt echter op bij de samenstelling van deze categorie in de beide bibliotheken. Blijkens zijn boekenbezit had Eynthouts weinig belangstelling voor werken van humanisten en hield hij zich vooral bezig met de studie van de oude talen en speciaal met die van het Hebreeuws. Hij bezat in 1601 drie Hebreeuwse grammatica's en twee Hebreeuwse lexica. Bovendien had hij ook nog vijf bijbelboeken in het Hebreeuws. Zijn interesse voor het Hebreeuws behield Eynthouts ook in de jaren 1602, 1604 en 1607, maar de lijsten uit de twee laatstgenoemde jaren bevatten wel beduidend minder werken over en in deze taal.Vergelijk bijlage III, 4, 5, 21, 23, 24, 25, 26, 76 met bijlage IV, 8, 16, 17, 43; bijlage V, 36 en bijlage VI, 33. In de lijsten van 1604 en 1607 werden de taal- en letterkundige werken geleidelijk aan van hun prominente plaats in Eynthouts' boekenkast verdrongen door de werken op het gebied van wijsbegeerte, staatkunde en wetenschappen. Binnen deze categorie lag het accent in de bibliotheek van Eynthouts voornamelijk op boeken op het gebied van de wijsbegeerte. In de lijsten van 1604 en 1607 komen zelfs tien wijsgerige werken voor, waaronder enige zeer bekende zoals de werken over de dialectiek van de jezuïet Pedro da Fonseca en de seculier Augustinus Hunnaeus, de "Problemata" van de Griekse filosoof Aristoteles en het commentaar daarop van de jezuïeten van het college van Coimbra en hun confrater Franciscus Suarez. Ook betreffende de kerkelijke literatuur heeft Eynthouts in de periode 1601-1607 andere interessen opgedaan. Als we de gegevens daarover in de vier hier besproken boekenlijsten naast elkaar leggen dan valt op dat hij geleidelijk aan minder bijbeluitgaven en werken van kerkvaders opgaf en zich meer ging interesseren voor de exegese, de dogmatische theologie en de moraaltheologie. Zijn belangstelling voor deze twee laatste vakgebieden komt vooral tot uiting in de aanwezigheid van dictaten van de Leuvense professoren Johannes Clarius en Johannes Malderus en de jezuïet Leonardus Lessius in de lijsten van 1604 en 1607.Zie bijlage V, 45 en bijlage VI, 42. Mogelijk heeft Eynthouts een aantal van deze dictaten zelf vervaardigd, toen hij in 1603 te Leuven studeerde. Dit door hem te Leuven doorgebrachte studiejaar verklaart waarschijnlijk ook de in de vier lijsten geconstateerde verschillen. Ongetwijfeld heeft Eynthouts in 1603 te Leuven bepaalde invloeden ondergaan, waardoor hij daarna zijn literatuur anders is gaan selecteren.
Ondanks de hierboven aangegeven verschillen bevatten de vier door Eynthouts in de jaren 1601-1607 opgestelde lijsten een gemeenschappelijke kern. Niet minder dan 31 werken komen namelijk in elk van de vier lijsten voor en dat is ongeveer een derde van het totale aantal werken van iedere lijst. Die 31 werken worden hieronder weergegeven:
Werken die in elk van de vier boekenlijsten van Adrianus Eynthouts uit de jaren 1601-1607 voorkomen:
| Auteur: | Titel: | Vakgebied: | |
| 1. | Anglicus, B. | De proprietatibus rerum | wetenschappen |
| 2. | Bandinus | Sententiarum libri IV | dogmatische theologie |
| 3. | Bellarminus, R. | Institutiones linguae hebr. | taal- en letterkunde |
| 4. | Budaeus, G. | Epistolae | taal- en letterkunde |
| 5. | Cicero, M. T. | Officia | taal- en letterkunde |
| 6. | Cicero, M. T. | Quaestiones Tusculanae | taal- en letterkunde |
| 7. | Cicero, M. T. | Epistolae | taal- en letterkunde |
| 8. | Cicero, M. T. | Rhetorica | taal- en letterkunde |
| 9. | Clichtoveus, J. | Elucidatorium ecclesiasticum | liturgie |
| 10. | Erasmus, D. | De optimo genere dicendi | taal- en letterkunde |
| 11. | Fenestella, L. | De Romanorum magistratibus | profane geschiedenis |
| 12. | Fonseca, P. da | Inst. Dialecticarum ll. VIII | wijsbegeerte |
| 13. | Gassar, A. P. | Hist. et Chron. mundi epitome | profane geschiedenis |
| 14. | Granatensis, L. | Dux peccatorum | spiritualiteit |
| 15. | Gropper, J. | Enchiridion christ. inst. | catechese |
| 16. | Hieronymus | Opera omnia | kerkvaders |
| 17. | Hosius, S. | Opera omnia | controverstheologie |
| 18. | Hunnaeus, A. | Dialectica | wijsbegeerte |
| 19. | Lactantius | Opera omnia | kerkvaders |
| 20. | Lombardus, P. | Sententiarum libri IV | dogmatische theologie |
| 21. | Staphylus, F. | Defensio contra Smidelinum | controverstheologie |
| 22. | Steuchus, A. | Recognitio in pentateuchum | bijbelcommentaar |
| 23. | Valerius, C. | Rhetorica | taal- en letterkunde |
| 24. | Biblia Benedicti | bijbeluitgaven | |
| 25. | Catechismus Romanus | catechese | |
| 26. | Concilium Tridentinum | kerkelijk recht | |
| 27. | Evangelia hebraica | bijbeluitgaven | |
| 28. | Lexicon hebraicum | taal- en letterkunde | |
| 29. | Novum testamentum latine | bijbeluitgaven | |
| 30. | Psalterium hebraicum | bijbeluitgaven | |
| 31. | Vocabularius | taal- en letterkunde |
Deze 31 werken geven een duidelijk beeld van het karakter van het boekenbezit van Eynthouts in de periode 1601-1607. Van deze 31 werken vallen er zestien onder het genre kerkelijke literatuur en vijftien onder het genre profane literatuur. Daarnaast bevinden zich onder die 31 door Eynthouts meest gebruikte werken tien boeken op het gebied van de taal- en letterkunde, waaronder vier van de klassieke auteur Marcus Tullius Cicero.
2.2.3. De boeken van Eynthouts te Waalwijk (1610-1617)
Het door Eynthouts in 1610 als pastoor van Waalwijk opgestelde inboedelinventaris beslaat drie aan beide zijden beschreven vellen papier. Deze zijn over hun lengte door midden gevouwen en in elkaar geschoven, zodat het inventaris de vorm heeft van een langwerpig registertje met twaalf pagina's. Van deze twaalf pagina's worden er vijf in beslag genomen door de beschrijving van de door Eynthouts te Waalwijk gebruikte boeken. Deze beschrijving bevat 245 opgaven, die globaal naar hun inhoud staan gerangschikt onder de hoofdjes "Libri Theologici" en "Libri Prophani". Ook in deze inventaris van Eynthouts is de informatie over de uitvoering van de boeken uiterst schaars. Van slechts één werk wordt het formaat aangegeven en van maar 23 het aantal delen of banden.In dit inventaris wordt het aantal delen of banden van een boek voornamelijk aangeduid met de term "tomi" en een enkele keer met de term "partes". In het hierna in paragraaf 2.2.4. te bespreken inventaris van Eynthouts uit 1633 wordt echter juist de laatste term meer gebruikt dan de eerste, maar een vergelijking van deze twee inventarissen wijst uit dat Eynthouts evenals Van Emmerick geen onderscheid maakte in tekstgedeelten en banden en deze twee verschillende termen naast elkaar gebruikte om het aantal banden van een werk aan te duiden. Vergelijk bijlage VII, 26, 27, 65, 66 en 74 met bijlage VIII, 37, 38, 115, 146 en 61.
Bij de analyse van de 245 opgaven van Eynthouts' Waalwijkse boekenlijst werden acht opgaven buiten beschouwing gelaten. Het betreft één doorgehaald werkBijlage VII, 114., twee opgaven met parochieregisters (waaronder het doopboek) en één met verschillende, niet nader omschreven handschriftenBijlage VII, 160, 162 en 207. en vier niet geïdentificeerde werken.Twee niet nader aangeduide gebedenboekjes in het Frans, de ook in de lijsten van 1604 en 1607 voorkomende "Theses Theologicae" en de opgave "Historiae Francorum gallicae 3" (zie bijlage VII, 152, 163 en 196). Dit brengt het aantal geïdentificeerde werken van deze lijst op 237. Daaronder bevinden zich 35 werken zonder een direct aanwijsbare auteur en drie waarvan de auteur niet kon worden vastgesteld.De onder de nummers 59 en 169 vermelde dictaten (waarschijnlijk die uit de lijsten van 1604 en 1607) en het onder nummer 204 opgegeven "Lexicon Graeco-Latinum". Het totale aantal werken met auteur bedraagt dus 199. Deze 199 werken komen op rekening van 152 verschillende auteurs, waarvan er slechts één niet kon worden geïdentificeerd.Philipp Ulstadt (zie bijlage VII, 176 en bijlage VI, 73). De lijst bevat niet minder dan 28 auteurs met meer dan één werk. Ze staan hieronder in een overzicht bijeen:
Auteurs met meer dan één werk in de boekenlijst van Adrianus Eynthouts uit 1610:
| Auteurs: | Status: | Aantal werken: |
| Ambrosius | kerkvader | 2 |
| Antoninus Florentinus | dominicaan | 2 |
| Augustinus | kerkvader | 5 |
| Bellarminus, Robertus | jezuïet | 2 |
| Collegium Conimbricensis | jezuïeten | 2 |
| Costerus, Franciscus | jezuïet | 7 |
| Eckius, Johannes | seculier | 2 |
| Erasmus, Desiderius | seculier | 7 |
| Gesnerus, Conradus | protestantse geleerde | 2 |
| Granatensis, Ludovicus | dominicaan | 2 |
| Guilliaudus, Claudius | seculier | 2 |
| Haymo van Halberstadt | benedictijn | 2 |
| Hibernicus, Thomas | dominicaan | 2 |
| Hunnaeus, Augustinus | seculier | 2 |
| Jansenius, Cornelius (Gent) | seculier | 3 |
| Kempen, Thomas van | reguler kannunik | 2 |
| Lindanus, Wilhelmus | seculier | 2 |
| Lipsius, Justus | katholieke leek | 3 |
| Pagninus, Sanctes | dominicaan | 2 |
| Pererius, Benedictus | jezuïet | 2 |
| Polygranus, Franciscus | franciscaan | 2 |
| Possevinus, Antonius | jezuïet | 2 |
| Sasbout, Adam | franciscaan | 3 |
| Schopperus, Jacobus | seculier | 2 |
| Staphylus, Fredericus | katholieke leek | 2 |
| Stapleton, Thomas | seculier | 2 |
| Titelmans, Franciscus | franciscaan | 2 |
| Verepaeus, Simon | seculier | 3 |
De belangrijkste auteurs van deze lijst uit 1610 zijn duidelijk de kerkvader Augustinus, Franciscus Costerus en Desiderius Erasmus, op enige afstand gevolgd door Justus Lipsius, Cornelius Jansenius (de bisschop van Gent en niet zijn naamgenoot, de bisschop van Ieperen), Benedictus Pererius, Adam Sasbout en Simon Verepaeus. Opvallend is wel de afwezigheid in het overzicht van de klassieke auteur Cicero, die in Eynthouts' lijsten van 1601, 1602, 1604 en 1607 verreweg de belangrijkste auteur bleek. Hij is echter nog wel in de lijst van 1610 aanwezig, maar slechts met één werk, zijn "Epistolae".
Als we de informatie over de achtergronden van de auteurs van de hier besproken boekenlijst bezien, dan kan geconstateerd worden dat Eynthouts te Waalwijk bij de selectie van auteurs ongeveer dezelfde maatstaven hanteerde als in 1607. In de tabellen 2.3 tot en met 2.5 lopen de percentages betreffende de boekenlijsten van 1607 en 1610 namelijk niet ver uiteen. De verschillen tussen beide lijsten zijn gering, maar toch opvallend genoeg om ze te vermelden. In 1610 had Eynthouts in verhouding tot 1607 meer literatuur van auteurs uit de periode vóór 500 en minder van auteurs uit de jaren 1550-1650. Wat betreft de geografische herkomst van de auteurs vanaf 500 valt allereerst op dat Eynthouts in 1610 verhoudingsgewijs minder werken bezat van Zuidnederlandse auteurs en iets meer van Noordnederlandse, waardoor deze beide categorieën auteurs ongeveer even sterk in zijn Waalwijkse bibliotheek vertegenwoordigd waren. Een tweede in het oog springend verschil betreffende de geografische herkomst van de in de lijsten van 1607 en 1610 voorkomende auteurs ligt in het in de beide lijsten opgegeven aantal werken van Duitse auteurs. In vergelijking met 1607 bezat Eynthouts in 1610 meer dan twee maal zoveel werken van schrijvers uit het Duitse rijk. Kijken we naar de gegevens over de spreiding van de werken naar de kerkelijke status van de auteurs, dan zien we alleen een opmerkelijk verschil tussen de twee lijsten betreffende het aantal werken van kerkvaders en vroeg-christelijke auteurs. In 1610 had Eynthouts meer dan drie maal zoveel werken van deze categorie schrijvers dan in 1607. Dit hangt uiteraard samen met het grotere aantal werken van auteurs uit de periode vóór 500 in de bibliotheek.
Vergelijken we de gegevens over de spreiding van de werken naar vakgebied van de beide lijsten, vastgelegd in tabel 2.6, dan blijkt dat Eynthouts' boekenbezit in 1610 toch anders was samengesteld dan dat van 1607. Te Waalwijk bezat Eynthouts belangrijk meer kerkelijke literatuur, voornamelijk door het verhoudingsgewijs grotere aantal werken in de categorieën kerkvaders, controverstheologie, homiletiek en kerkelijk recht. Een groot deel van de nieuwe werken in deze vier categorieën heeft Eynthouts echter overgenomen van zijn voorganger te Waalwijk, Adrianus Stalpaerts. Het feit dat Eynthouts in zijn lijst van 1610 meer dan twee maal zoveel werken opgaf dan in zijn lijst van 1607, deed vermoeden dat hij te Waalwijk boeken van zijn voorganger in zijn bibliotheek opnam. Ook het feit dat in de lijst van 1610 drie werken twee maal werden opgegeven wees in die richting.Zie bijlage VII, 23, 61 en 156. Dit werd bevestigd door een vergelijking van Eynthouts' lijst van 1610 met die van Stalpaerts uit diens inboedelinventaris van 1605, het enige van hem bewaard gebleven inventaris uit zijn Waalwijkse periode.AAT, Sectie IV, bundel 134, no. 72. Bij de vergelijking van deze twee Waalwijkse boekenlijsten bleek dat van de 237 geïdentificeerde werken van Eynthouts' boekenlijst van 1610 er 84 niet voorkwamen in zijn lijst van 1607, maar daarentegen wel in de lijst van Stalpaerts van 1605. Van de overige 153 werken van de lijst van 1610 waren er 81 wel in Eynthouts' vorige lijst te vinden.Onder deze 81 werken bevinden zich acht boeken die zowel in de lijst van Eynthouts van 1607 als in die van Stalpaerts van 1605 voorkomen. Ze zijn ongetwijfeld door Eynthouts meegebracht. De resterende 72 opgaven zijn noch in Eynthouts' lijst van 1607, noch in Stalpaerts' lijst van 1605 aanwezig. Van deze 72 nieuwe opgaven in de lijst van 1610 is de herkomst onduidelijk. Ze werden ófwel na 1605 aangekocht door Stalpaerts, ófwel na 1607 door Eynthouts.
De lijst van Stalpaerts bevat in totaal 182 opgaven. Eynthouts nam dus niet de gehele bibliotheek van zijn voorganger over, maar slechts een gedeelte. Daaruit mag echter niet geconcludeerd worden dat hij in Waalwijk een keuze heeft gemaakt uit de boeken van Stalpaerts. Het is namelijk heel goed mogelijk dat Stalpaerts een deel van zijn boeken heeft meegenomen naar de abdij waar hij abt Theodorus Verbraecken als coadjutor ging assisteren en dat hij slechts een gedeelte (de 84 die Eynthouts in 1610 vermeldde?) in Waalwijk achterliet. Dit wordt zelfs zeer aannemelijk als we bedenken dat Stalpaerts in zijn inventaris vermeldde dat hij zowel boeken van hemzelf opgaf als van zijn directe voorganger te Waalwijk, de in 1599 naar de Onze Lieve Vrouweparochie te Diest overgeplaatste Godeschalcus van Nieuwenhuizen.AAT, Sectie IV, bundel 134, no. 72; Necrologium, 198. Mogelijk heeft Eynthouts dus te Waalwijk slechts boeken van Van Nieuwenhuizen aangetroffen.Omtrent één werk uit de lijst van 1610 bestaat het vermoeden dat het eens in het bezit was van Van Nieuwenhuizen (zie bijlage VII, 196). Dit boek was in 1605 in het bezit van Stalpaerts, maar het is onduidelijk of het onder genoemde opgave door Eynthouts wordt aangeduid. Hoe het ook zij, het karakter van de bibliotheek van Eynthouts van 1610 werd voor een belangrijk deel bepaald door de boeken die hij te Waalwijk overnam, zoals het hieronder weergegeven overzicht van de samenstelling van die bibliotheek laat zien.
Overzicht van de herkomst van de 237 geïdentificeerde werken van de lijst van Adrianus Eynthouts uit 1610:
| Vakgebied: | Eynthouts 1607: | Stalpaerts 1605: | Nieuw: |
| Kerkelijke literatuur: | |||
| - Bijbeluitgaven: | 6 | 1 | 5 |
| - Bijbelcommentaar: | 12 | 6 | 10 |
| - Kerkvaders: | 3 | 14 | 4 |
| - Dogmatische theologie: | 5 | 4 | 3 |
| - Moraaltheologie: | 7 | 8 | 5 |
| - Pastoraaltheologie: | - | - | 1 |
| - Controverstheologie: | 5 | 12 | 8 |
| - Homiletiek: | 2 | 16 | 3 |
| - Catechese: | 2 | 2 | - |
| - Spiritualiteit: | 3 | 1 | 3 |
| - Mariadevotie: | - | 1 | - |
| - Hagiografie: | - | 1 | 1 |
| - Liturgie: | 3 | 3 | 4 |
| - Kerkelijk recht: | 1 | 8 | 3 |
| - Kerkgeschiedenis: | - | 2 | 3 |
| - Ordesgeschiedenis: | - | 2 | - |
| - Missiegeschiedenis: | - | - | - |
| Subtotaal kerkelijke literatuur: | 49 | 81 | 53 |
| Profane literatuur: | |||
| - Profane geschiedenis, reisbeschrijvingen en aardrijkskunde: | 2 | 1 | 3 |
| - Taal- en letterkunde: | 9 | 1 | 10 |
| - Wijsbegeerte, staatkunde en wetenschappen: | 19 | - | 6 |
| - Burgerlijk recht: | - | 1 | - |
| - Overigen: | 2 | - | - |
| Subtotaal profane literatuur: | 32 | 3 | 19 |
| Totaal: | 81 | 84 | 72 |
Eynthouts nam maar 21 werken van zijn lijst van 1607 niet mee naar Waalwijk. Een vergelijking van bovenstaand overzicht met tabel 2.6 leert dat hij in de categorie taal- en letterkunde de meeste werken in de abdij achterliet.Het grote verschil van vijf werken in de categorie dogmatische theologie wordt veroorzaakt door het feit dat de dictaten op dit gebied in de lijst van 1610 niet meer apart worden vermeld zoals in de lijst van 1607 (vergelijk bijlage VI, 42 en bijlage VII, 59). Van de 31 boekwerken die steeds in de lijsten van 1601, 1602, 1604 en 1607 aanwezig waren nam hij er elf niet mee.Het betreft de nummers 2, 4, 5, 6, 8, 10, 11, 13, 14, 29 en 31 van het op pagina 65 weergegeven overzicht. De categorie controverstheologie werd door Eynthouts te Waalwijk met de meeste werken uitgebreid, waardoor deze na die van de exegese de belangrijkste categorie werd in de lijst van 1610 in het genre kerkelijke literatuur. Betreffende de uitbreidingen in het genre profane literatuur is het zeer opvallend dat Eynthouts in Waalwijk meer werken op het gebied van taal- en letterkunde aan zijn bibliotheek toevoegde dan op het gebied van wijsbegeerte, staatkunde en wetenschappen, terwijl hij toch aanvankelijk blijk gaf van andere interessen, door het achterlaten van vrij veel werken van de eerste categorie en het meenemen van alle werken van de laatste. Uit nadere beschouwing van deze door Eynthouts te Waalwijk verworven taal- en letterkundige werken blijkt echter dat er wel degelijk gesproken kan worden van een andere belangstelling. Eynthouts' aanwinsten op het gebied van de taal- en letterkunde betreffen namelijk hoofdzakelijk literaire werken, voornamelijk van humanisten.Zie bijlage VII, 184, 188, 195, 197, 201, 202 en 203. Toch schijnt de studie van de Hebreeuwse taal Eynthouts ook te Waalwijk te hebben bezig gehouden, getuige de aanschaf van een Hebreeuwse grammatica van de dominicaan Sanctes Pagninus.Zie bijlage VII, 205.
Het is niet bekend of de bibliotheek van Eynthouts te Waalwijk na 1610 nog belangrijke wijzigingen heeft ondergaan. Uit de periode van vijftien jaar die hij na 1610 nog te Waalwijk doorbracht is van zijn inboedelinventarissen alleen dat van het jaar 1617 bewaard gebleven. Dit inventaris bevat echter, zoals reeds vermeld, slechts een opgave van nieuw aangeschafte werken en dat waren er in dat jaar maar twee, te weten: "Jacobi Alvarez de quotidiana virtutum exercitatione, et Claudii Aquavivae in psalmos 44. et 118.".Deze twee werken bezat Eynthouts ook nog in het jaar 1633 (zie bijlage VIII, 161 en 16).
2.2.4. De boeken van Eynthouts te Tilburg (1626-1633)
Tijdens de zes jaar dat Eynthouts te Tilburg verbleef heeft hij voor zover bekend geen volledige opgave gedaan van de boeken die hij gebruikte. Niettemin beschikken we over voldoende informatie voor een juist beeld van de samenstelling van zijn Tilburgse boekenbezit. Het enige van hem uit zijn Tilburgse periode bewaard gebleven inventaris, dat van 1626, het eerste dat hij te Tilburg opstelde, bevat namelijk de mededeling dat hij zijn boekenbezit sedert zijn laatste opgave uit Waalwijk had aangevuld met twaalf nieuwe werken. Daaruit valt af te leiden dat hij de boeken die hij te Waalwijk gebruikte meenam naar de parochie Tilburg. Als zijn nieuwe aanwinsten uit het eerste jaar van zijn Tilburgse pastoraat vermeldde Eynthouts: "Natales Sanctorum candidissimi Ordinis Praemonstratensis authore vander Sterren, Apotheca remed. etc. fratris Augustini Wichmans, Opera Omnia Thomae de Kempis, Casus conscientiae Toleti, Opera Ludovici Blosii Abbatis Laetiensis, Tractatus Evangelici Hieron. Baptistae de La Nuza in 2 tomis, Bellarminus in psalmos, Manuscripta de fide, spe et charitate in Acta Apostolorum in Cathechismum, Remedien tegen de haestighe sieckte per Gulielmum de Pretere Societ. Jesu, Het leven B. Siardi etc.".AAT, Sectie IV, bundel 136, no. 453. Uitgezonderd het werk van de jezuïet Robertus Bellarminus, komen al deze werken voor in de uitgebreide boekenlijst van het door Eynthouts in 1633, een jaar na zijn ontslag als pastoor van Tilburg, te Tongerlo opgestelde inboedelinventaris.Zie bijlage VIII, 179, 126, 116, 131, 148, 28, 91, 123, 51, 12 en 57. Deze boekenlijst van 1633 bevat meer dan 200 opgaven, waaronder 86 die reeds in Eynthouts' Waalwijkse inboedelinventarissen werden vermeld. Dit betekent dat bijna de helft van de boeken die Eynthouts in 1633 te Tongerlo gebruikte, zeker ook al te Tilburg in zijn bezit waren. De overige in de lijst van 1633 opgegeven boeken betreffen ongetwijfeld werken die Eynthouts na 1610 te Waalwijk en in de jaren 1627-1632 te Tilburg vergaarde, want het is niet aannemelijk dat Eynthouts in minder dan één jaar meer dan 100 werken aan zijn bibliotheek toevoegde. De boekenlijst van 1633 moet dus worden beschouwd als een weergave van het Tilburgse boekenbezit van Eynthouts.
De boekenlijst van Eynthouts van 1633 bevat 224 opgaven. Uit tabel 2.1 blijkt dat er daarvan twee buiten beschouwing werden gelaten. Het betreft de opgave van een aantal notitieboekjes en een werk dat niet kon worden geïdentificeerd.Zie bijlage VIII, 191 en 100. Het totale aantal bij de analyse van deze lijst betrokken werken bedraagt dus 222. Daaronder bevinden zich veertien werken zonder direct aanwijsbare auteur en vijf waarvan geen auteur kon worden vastgesteld.De onder de nummers 11, 12, 56, 57 en 59 vermelde handschriften. Dit brengt het aantal werken met geïdentificeerde auteur op 203. Deze 203 werken werden geproduceerd door 145 verschillende auteurs, waaronder er 26 meer dan één werk op hun naam brachten. Deze 26 belangrijkste auteurs worden hieronder in een overzicht weergegeven:
Auteurs met meer dan één werk in de boekenlijst van Adrianus Eynthouts uit 1610:
| Auteurs: | Status: | Aantal werken: |
| Alvarez de Paz, Jacobus | jezuïet | 2 |
| Augustinus | kerkvader | 3 |
| Becanus, Martinus | jezuïet | 4 |
| Bellarminus, Robertus | jezuïet | 4 |
| Bodenus, Johannes | seculier | 2 |
| Bolognino, Guilielmus | seculier | 2 |
| Busaeus, Johannes | jezuïet | 3 |
| Clarius, Johannes | seculier | 2 |
| Costerus, Franciscus | jezuïet | 4 |
| Diez, Philippus | franciscaan | 2 |
| Drexelius, Jeremias | jezuïet | 10 |
| Granatensis, Ludovicus | dominicaan | 2 |
| Jansenius, Cornelius (Gent) | seculier | 3 |
| Lapide, Cornelius a | jezuïet | 6 |
| Lessius, Leonardus | jezuïet | 6 |
| Lipsius, Justus | katholieke leek | 4 |
| Lucas Brugensis, Franciscus | seculier | 2 |
| Malderus, Johannes | seculier | 3 |
| Pererius, Benedictus | jezuïet | 3 |
| Ribera, Franciscus | jezuïet | 3 |
| Rosweyde, Heribert | jezuïet | 2 |
| Sasbout, Adam | franciscaan | 2 |
| Stapleton, Thomas | seculier | 3 |
| Thyraeus, Petrus | jezuïet | 2 |
| Titelmans, Franciscus | franciscaan | 2 |
| Wichmans, Augustinus | norbertijn | 3 |
Het meest opvallende aan dit overzicht is de overheersende positie van de jezuïeten. De belangrijkste auteurs van deze lijst zijn dan ook drie jezuïeten, namelijk: Jeremias Drexelius, Cornelius a Lapide en Leonardus Lessius. Geen van deze drie auteurs nam in de lijst van 1610 zo'n belangrijke plaats in. Jeremias Drexelius kwam zelfs in de lijst van 1610 nog helemaal niet voor. Van de 28 auteurs die in 1610 met meer dan één werk vertegenwoordigd waren, zijn er nog maar negen in bovenstaand overzicht betreffende de lijst van 1633 aanwezig, te weten: Augustinus, Robertus Bellarminus SJ, Ludovicus Granatensis OP, Cornelius Jansenius, Justus Lipsius, Benedictus Pererius SJ, Adam Sasbout OFM, Thomas Stapleton en Franciscus Titelmans OFM. De auteur Marcus Tullius Cicero, de voornaamste van Eynthouts' lijsten uit de jaren 1601-1607, komt in de lijst van 1633 niet meer voor en van de 31 werken die in die jaren de kern vormden van Eynthouts' bibliotheek zijn er nog maar zes in de lijst van 1633 terug te vinden, namelijk: het werk "De proprietatibus rerum" van de franciscaan Bartholomaeus Anglicus, de Hebreeuwse grammatica van Robertus Bellarminus SJ, de werken van de kerkvader Hieronymus en de seculier Stanislaus Hosius en de catechismus van het concilie van Trente en de uitgave van de decreten van dat concilie. Slechts deze zes werken heeft Eynthouts dus gedurende de jaren 1601-1633 steeds in zijn bezit gehad en dat betekent dat zijn bibliotheek in de loop der jaren een aantal grote veranderingen heeft ondergaan.
Dit blijkt eens te meer als we de lijst van 1633 vergelijken met die van 1610. Aan de verschillen tussen de percentages van de beide lijsten weergegeven in tabel 2.3 met gegevens over de tijdsindeling van de auteurs, kan geen belang worden gehecht. Gezien het feit dat de lijst van 1633 zo'n 23 jaar na die van 1610 werd opgesteld is het namelijk niet zo verwonderlijk dat Eynthouts in 1633 belangrijk meer literatuur bezat van auteurs die leefden in de periode 1550-1650 dan in 1610. De verschillende percentages van de twee lijsten in de tabellen 2.4 en 2.5 kunnen echter niet door het tijdsverschil worden verklaard. In deze tabellen komen de eerste grote verschillen tussen de twee boekenlijsten duidelijk naar voren. Bezat Eynthouts in 1610 evenveel werken van Zuidnederlandse auteurs als van Noordnederlandse, in 1633 was dat niet meer het geval. In dat jaar waren de Zuidnederlandse schrijvers veruit de belangrijkste categorie en met bijna het dubbele aantal werken van hun Noordnederlandse collega's het best in de bibliotheek van Eynthouts vertegenwoordigd. Verder valt het voor wat betreft de geografische herkomst van de auteurs op dat Eynthouts in 1633 vergeleken met 1610 meer werken bezat van Spaanse schrijvers en minder van Italiaanse en Duitse. Betreffende de kerkelijke status van de auteurs is het meest in het oog springende verschil tussen de beide lijsten het feit dat Eynthouts in 1633 belangrijk meer werken van jezuïeten bezat, hetgeen al eerder naar voren kwam, toen we het overzicht van schrijvers met meer dan één werk van de lijst van 1633 bespraken. Voornamelijk door dit grote aantal werken van jezuïeten bevat de lijst van 1633, zeker vergeleken met die van 1610, een vrij hoog percentage werken van reguliere geestelijken. Dit betekent niet dat Eynthouts de werken van regulieren die hij reeds in 1610 bezat alleen maar heeft aangevuld met werken van jezuïeten. Blijkens de in tabel 2.5 opgegeven percentages betreffende de verschillende orden is in de periode 1610-1633 Eynthouts' belangstelling voor de werken van de dominicanen verflauwd. Het verdwijnen van een aantal werken van auteurs van deze orde heeft echter geen nadelige invloed gehad op het percentage werken van reguliere auteurs in de lijst van 1633, omdat dit grotendeels werd gecompenseerd door de aanschaf van werken van norbertijnen. Eynthouts' voorkeur voor boekwerken van jezuïeten is niet alleen ten koste gegaan van zijn interesse voor geschriften van dominicanen. In 1633 bezat hij ook beduidend minder boeken van klassieke auteurs, kerkvaders en vroeg-christelijke auteurs en van katholieke leken.
Als we de gegevens over de spreiding van de werken naar vakgebied van de lijsten van 1610 en 1633 met elkaar vergelijken (tabel 2.6), dan moeten we allereerst constateren dat Eynthouts in 1633 nog meer kerkelijke literatuur bezat dan in 1610. In dit opzicht heeft hij in de periode 1610-1633 bij de selectie van zijn literatuur consequent de vanaf 1607 ingeslagen weg gevolgd. Dit komt vooral tot uiting in de percentages betreffende de categorieën van de profane literatuur, met name die van taal- en letterkunde en wijsbegeerte, staatkunde en wetenschappen. De percentages van de categorieën van de kerkelijke literatuur laten echter zien dat Eynthouts bij de aanvulling van dit genre van zijn bibliotheek niet steeds volgens een bepaald patroon te werk ging. Weliswaar is in de lijst van 1633 evenals in die van 1610 de categorie bijbelcommentaar het best vertegenwoordigd en zijn, net als in 1610, in 1633 ook de categorieën controverstheologie en homiletiek prominent aanwezig, maar daarentegen bezat Eynthouts in 1633 veel minder werken van kerkvaders dan in 1610, in dat jaar toch ook een belangrijke categorie, en schijnt hij in de jaren 1610-1633 eveneens minder geïnteresseerd te zijn geraakt in bijbeluitgaven, de moraaltheologie, de liturgie en het kerkelijk recht. Een ander zeer opmerkelijk verschil tussen de lijsten van 1610 en 1633 ligt in het feit dat Eynthouts tussen 1607 en 1610 zijn bibliotheek vooral sterk uitbreidde op het gebied van de controverstheologie en tussen 1610 en 1633 op het gebied van de spiritualiteit. De 27 werken in die laatste categorie van de lijst van 1633 zijn zelfs allemaal pas na 1610 door Eynthouts aan zijn bibliotheek toegevoegd. Als we dan bedenken dat de categorie spiritualiteit in Eynthouts' bibliotheek in 1633, samen met die van de controverstheologie, de belangrijkste was na die van het bijbelcommentaar, dan kunnen we concluderen dat Eynthouts zijn vrije uren als pastoor van Tilburg voornamelijk heeft doorgebracht met het lezen van vrome lectuur. In dat beeld past ook zijn, vergeleken met 1610 en zeker met de jaren 1601-1607, grotere interesse voor werkjes betreffende Mariadevotie en hagiografie. De studie van het Hebreeuws schijnt hij te Tilburg te hebben verwaarloosd. De vier bijbelboeken in het Hebreeuws die in de lijst van 1610 nog aanwezig waren, komen in de lijst van 1633 niet meer voor. In 1633 bezat hij op dit gebied alleen nog maar de grammatica van Robertus Bellarminus.
2.3. De bibliotheek van Augustinus Wichmans
2.3.1. De inboedelinventarissen van Wichmans
Van Augustinus Wichmans zijn maar liefst elf inboedelinventarissen bewaard gebleven, waarvan er tien een boekenlijst bevatten. Van deze tien inventarissen met informatie over Wichmans' bibliotheek zijn er negen afkomstig uit de tijd waarin hij nog niet als zielzorger actief was en één uit de periode waarin hij de parochie Tilburg bediende, en wel uit het jaar 1635.AAT, Sectie IV, bundel 137/1, no. 523/5. Het enige inventaris zonder boekenopgave werd door Wichmans te Alphen opgesteld in het jaar 1641.AAT, Sectie IV, bundel 137/1, no. 525. Van de inboedelinventarissen die Wichmans vanuit de parochie Mierlo heeft ingediend is er dus geen bewaard gebleven.
Van Wichmans' negen eerste inboedelinventarissen zijn er slechts vier door hem gedateerd. Het betreft inventarissen uit de jaren 1618, 1626, 1628 en 1629.AAT, Sectie IV, bundel 135/2, no. 353 en bundel 136, no. 464, 474 en 489. De andere vijf werden gedateerd door degene die alle bewaard gebleven inboedelinventarissen van de Tongerlozen als een apart onderdeel van het abdijarchief bijeen bracht en daarbij werd vermoedelijk gelet op de samenhang tussen de inventarissen en de archiefstukken waarmee ze tot die tijd tesamen werden bewaard. De in de betreffende inboedelinventarissen voorkomende boekenopgaven geven geen reden tot twijfel over de aldus aangebrachte datering.Integendeel, vergelijk de opgaven van de door Wichmans gebruikte dictaten: bijlage IX, 3; X, 35, 36, 37, 38; XI, 32; XII, 23; XIII, 19; XIV, 25; XV, 41; XVI, 72; XVII, 80 en XVIII, 50. Toch moet er wel enige voorzichtigheid worden betracht. De meeste van de door Wichmans opgestelde inboedelinventarissen zijn in tweevoud in het abdijarchief aanwezig, zoals ook enkele inventarissen van Petrus van Emmerick en Adrianus Eynthouts. Deze inventarissen werden steeds bij elkaar gevoegd, in dezelfde bundel, onder hetzelfde nummer. Twee van de ongedateerde inventarissen van Wichmans werden echter op die manier ten onrechte als dubbelen bijeen gebracht, aangezien de in die inventarissen opgegeven boekenlijsten niet met elkaar overeen komen. Het betreft de twee inventarissen die op 1624 werden gedateerd.AAT, Sectie IV, bundel 136, no. 446/1-2. Vermoedelijk is een van deze inventarissen van latere datum, en wel van het jaar 1625.AAT, Sectie IV, bundel 136, no. 446/2. De op de overige drie niet door Wichmans zelf gedateerde inventarissen aangebrachte jaartallen zijn waarschijnlijk wel juist. Deze drie inventarissen werden dus vermoedelijk opgesteld in de jaren 1617, 1619 en 1620.AAT, Sectie IV, bundel 135/2, no. 306, no. 369 en bundel 136, no. 389.
2.3.2. De boeken van Wichmans in de jaren 1617-1629
Evenals bij Adrianus Eynthouts worden hier de lijsten die Wichmans opstelde voordat hij in de zielzorg werd ingezet gezamenlijk behandeld, omdat ze op een bepaalde manier met elkaar in verband staan en op veel punten overeenkomsten vertonen. De gegevens over elk van deze lijsten afzonderlijk zijn ondergebracht in de tabellen 3.1 tot en met 3.6.
Wichmans heeft alleen de boekenopgaven in de inventarissen van 1617, 1618 en 1619 in kolommen onder elkaar gezet. In de andere zes noteerde hij de auteurs en de titels van de door hem gebruikte boekwerken naast elkaar, waardoor er dus in deze inventarissen sprake is van zogenaamde doorgeschreven catalogi. De eerste drie boekenlijsten zijn als enigen van de negen in zekere zin geordend, doordat daarin een aantal werken op het gebied van taal- en letterkunde onder het hoofdje "Authores pro Schola Poëseos et Rhetorices" bijeen werden gebracht.Zie bijlage IX, 4; X, 5 en XI, 3. De overige werken in deze lijsten werden echter niet volgens een bepaald principe gerangschikt. Betreffende het formaat en het aantal delen of banden van de opgegeven werken bevatten de negen lijsten bijzonder weinig informatie. Van maar tien werken staat aangegeven hoeveel banden ze omvatten en slechts bij één boek is nauwkeurig melding gemaakt van het formaat.Het betreft Wichmans' Clementijnse bijbel, die vanwege deze exacte formaat-aanduiding kon worden teruggevonden in de Haagse Koninklijke Bibliotheek (zie bijlage IX, 1).
Als we het aantal opgaven van de eerste negen boekenlijsten van Wichmans zoals weergegeven in de tabellen 3.1.1 en 3.1.2 bij elkaar tellen, dan komen we uit op een totaal van 550. Deze 550 opgaven betreffen slechts 162 verschillende boekwerken. Twee van deze 162 werken konden niet worden geïdentificeerdZie bijlage XII, 19 en XIII, 2. en onder de 160 overigen bevinden zich vijftien werken zonder een direct aanwijsbare auteur en elf werken waarvan de auteur niet met zekerheid kon worden vastgesteld.Zie bijlage IX, 26, 37, 38, 39; XV, 27, 28, 29; XVI, 75, 77 en XVII, 32, 37. Dit betekent dat het aantal verschillende werken met geïdentificeerde auteur 134 bedraagt. Die 134 werken staan op naam van 111 verschillende auteurs, waaronder er zeventien met meer dan één werk vertegenwoordigd zijn, zoals onderstaand overzicht laat zien:
Auteurs met meer dan één werk in de boekenlijsten van Augustinus Wichmans uit de jaren 1617-1629:
| Auteurs: | Status: | '17: | '18: | '19: | '20: | '24: | '25: | '26: | '28: | '29: |
| Alvarez de Paz, J. | jezuïet | - | - | - | - | - | 2 | 2 | 2 | 2 |
| Augustinus | kerkvader | - | - | - | - | - | - | - | 2 | 2 |
| Bellarminus, R. | jezuïet | - | - | - | - | - | - | - | 2 | 3 |
| Cicero, M. T. | klassiek auteur | 2 | 2 | 2 | - | - | - | - | - | - |
| Estius, G. | seculier | - | - | - | - | - | - | - | 2 | 2 |
| Johannes Chrysostomus | kerkvader | - | - | - | - | - | - | 2 | - | - |
| Kempen, Th. van | regulier kanunnik | - | - | - | - | - | - | 2 | 2 | 2 |
| Landtmeter, L. | norbertijn | - | - | - | - | - | - | - | 2 | 2 |
| Lapide, C. a | jezuïet | - | - | - | - | - | - | - | - | 2 |
| Lessius, L. a | jezuïet | - | - | - | - | - | - | - | 2 | 3 |
| Lipsius, J. | katholieke leek | - | - | - | - | - | - | - | 4 | 5 |
| Ovidius Naso, P. | klassiek auteur | 2 | 2 | 2 | - | - | - | - | - | - |
| Raissius, A. | seculier | - | - | - | - | - | - | - | - | 2 |
| Soto, D. de | dominicaan | - | - | - | - | 2 | 2 | 2 | 2 | 2 |
| Stapleton, Th. | seculier | - | - | - | - | 2 | 2 | 2 | 2 | 2 |
| Sterre, J. C. v/d. | norbertijn | - | - | - | - | - | - | - | 2 | 2 |
| Wichmans, A. | norbertijn | - | - | - | - | - | - | - | 2 | 3 |
Uit dit overzicht blijkt dat onder de 160 verschillende werken van de eerste negen boekenlijsten van Wichmans een grote verscheidenheid bestaat en dat bij deze lijsten op grond van het aantal werken per auteur niet goed kan worden nagegaan op welke auteurs en dus op welk genre literatuur de nadruk ligt. Alleen voor de twee laatste lijsten kan een auteur als de belangrijkste worden aangewezen, namelijk de geleerde Justus Lipsius. Toch moeten er in deze negen boekenlijsten meer auteurs en werken nadrukkelijk aanwezig zijn geweest, gezien de verhouding tussen het totale aantal opgaven van alle lijsten en het totale aantal daarin voorkomende verschillende werken. Om dat aan te tonen werd onderzocht welke van de 160 verschillende werken het meest door Wichmans werden gebruikt. Bij Eynthouts zagen we dat het aantal werken dat in alle door hem opgestelde lijsten aanwezig was afnam naar mate het tijdsververschil tussen de lijsten toenam en aangezien Wichmans' negen hier besproken lijsten over een periode van meer dan tien jaar werden ingediend, werd besloten betreffende zijn lijsten het onderzoek naar de mate waarin de verschillende werken in al zijn lijsten voorkwamen uit te breiden tot de werken die in meer dan vijf lijsten werden aangetroffen. Dit leverde een totaal op van 24 werken, waarvan er acht steeds in iedere lijst aanwezig waren, vier in acht, drie in zeven en negen in zes. Van de 136 overigen zijn er negentien in vijf lijsten te vinden, elf in vier, 33 in drie, 43 in twee en 30 in slechts één lijst. De 24 werken die als de belangrijkste van deze negen lijsten kunnen worden beschouwd, staan hieronder in een overzicht bijeen:
Werken die in meer dan vijf boekenlijsten van Augustinus Wichmans uit de jaren 1617-1629 voorkomen:
| Auteur: | Titel: | Vakgebied: | |
| In negen lijsten: | |||
| 1. | Cicero, M. T. | Orationes | taal- en letterkunde |
| 2. | Kempen, Th. van | De imitatione Christi | spiritualiteit |
| 3. | Lipsius, J. | Amphitheatrum | profane geschiedenis |
| 4. | Suarez, F. | Metaphysicarum disput. | wijsbegeerte |
| 5. | - | Biblia Clementis 8i in 4° | bijbeluitgaven |
| 6. | - | Diurnale Ord. Praemonstrat. | liturgie |
| 7. | - | Horae B.M.V. (Ord. Praem.). | liturgie |
| 8. | - | Dictata theologica | dogmatische theologie |
| In acht lijsten: | |||
| 9. | Horatius F., Q. | Opera | taal- en letterkunde |
| 10. | Martialis, M. V. | Epigrammata | taal- en letterkunde |
| 11. | Platus, H. | De bono status religiosi | spiritualiteit |
| 12. | - | Dictata philosophica | wijsbegeerte |
| In zeven lijsten: | |||
| 13. | Richardinus, R. | Exegesis in regulam S. Aug. | ordesgeschiedenis |
| 14. | Augustinus | Confessionum libri XIII | kerkvaders |
| 15. | Sailly, Th. | Thesaurus Litaniarum | liturgie |
| In zes lijsten: | |||
| 16. | Aquino, Th. van | Opuscula | dogmatische theologie |
| 17. | Bernartius, J. | De utilitate legendae hist. | profane geschiedenis |
| 18. | Hunnaeus, A. | Dialectica | wijsbegeerte |
| 19. | Justinianus | Edicta | burgerlijk recht |
| 20. | Lessius, L. | De Justitia et Jure | moraaltheologie |
| 21. | Origenes | Opera | kerkvaders |
| 22. | Soto, D. de | In quartum sentent. comm. | dogmatische theologie |
| 23. | Trithemius, J. | Epistolae | spiritualiteit |
| 24. | - | Novum testamentum | bijbeluitgaven |
In dit overzicht zien we onze twijfel omtrent de belangrijkheid van de auteurs met meer dan één werk bevestigd, want van de zeventien in het overzicht op de pagina's 80 en 81 vermelde auteurs die met meer werken in de negen lijsten vertegenwoordigd zijn, zijn er slechts zes terug te vinden in bovenstaand overzicht van de in de lijsten meest voorkomende werken, te weten, in volgorde van belangrijkheid: Cicero, Thomas van Kempen en Justus Lipsius, Augustinus en Leonardus Lessius en Dominicus de Soto.
Betreffende de achtergronden van de opgegeven auteurs vertonen de negen lijsten van Wichmans veel overeenkomsten. De tabellen 3.3.1 en 3.3.2 met gegevens over de tijdsindeling van de verschillende auteurs laten bijvoorbeeld zien dat Wichmans steeds vrij veel werken bezat van auteurs uit de periode vóór 500, dat hij daarentegen nauwelijks enige interesse toonde in geschriften van auteurs uit de Renaissance, maar zijn bibliotheek wel voortdurend aanvulde met recente literatuur, met boeken van schrijvers die leefden in de jaren 1550-1650. De informatie omtrent de geografische herkomst van de opgegeven auteurs (de tabellen 3.4.1 en 3.4.2) toont aan dat in alle negen lijsten de auteurs uit de Nederlanden de overhand hadden. In de twee eerste boekenlijsten zijn de Zuidnederlandse en de Noordnederlandse schrijvers in gelijke mate vertegenwoordigd, maar in Wichmans' zeven latere boekenlijsten wordt de overheersende positie van de Nederlandse schrijvers hoofdzakelijk bepaald door werken van Zuidnederlandse auteurs. De uit de Noordelijke Nederlanden afkomstige schrijvers worden in die boekenlijsten zelfs in belangrijkheid voorbij gestreefd door de andere categorieën auteurs en met name de Spaanse en de Italiaanse. Overigens heeft Wichmans in de jaren 1617-1629 voor de meeste buitenlandse auteurs steeds wisselende belangstelling getoond. Vooral de voor de Franse, Italiaanse en Duitse auteurs opgegeven percentages verschillen nogal per lijst. Slechts de Spaanse auteurs zijn vrij constant in de negen lijsten aanwezig, maar vanaf 1625 schijnt Wichmans ook voor hun werken minder interesse te hebben gehad. Als we de gegevens over de spreiding van de werken naar de kerkelijke status van de auteurs bestuderen (de tabellen 3.5.1 en 3.5.2), dan kunnen we constateren dat de hoge percentages betreffende de auteurs uit de periode vóór 500 in de eerste lijsten hoofdzakelijk worden bepaald door de grote hoeveelheid werken van klassieke auteurs en in de latere lijsten door de aanwezigheid van vrij veel werken van kerkvaders en vroeg-christelijke auteurs. Opvallend is de belangrijke positie van de klassieke auteurs in de eerste drie lijsten. In de overige zeven lijsten zijn steeds de reguliere geestelijken de meest voorkomende schrijvers. Van de diverse reguliere orden is vooral die van de jezuïeten in alle negen lijsten sterk vertegenwoordigd. Van de overige orden neemt vanaf 1624 die der dominicanen enigszins een voorname plaats in en vanaf 1626 die der norbertijnen. De seculieren zijn in de negen lijsten steeds veruit in de minderheid, vergeleken met de regulieren. Wichmans gebruikte in de jaren 1617-1629 meer dan twee maal zoveel werken van regulieren dan van seculieren.
In het voorgaande is reeds aangegeven dat Wichmans in zijn eerste drie lijsten veel werken opgaf van klassieke auteurs. Tabel 3.6 laat zien dat de aanwezigheid van de werken van deze auteurs in de jaren 1617-1619 voor een belangrijk deel het karakter van zijn bibliotheek bepaalde. De categorie taal- en letterkunde is namelijk in deze drie lijsten zeer nadrukkelijk aanwezig. Uit de manier waarop Wichmans de boeken van de klassieke auteurs in zijn lijsten aanduidde kunnen we opmaken dat die behoorden tot de verplichte oefenstof voor de in de abdij gegeven lessen lees- en spreekvaardigheid in het Latijn en het Grieks.Wichmans bezat weliswaar geen werken van Griekse klassieke auteurs, maar uit de aanwezigheid van de Griekse grammatica van de jezuïet Jacob Gretser valt af te leiden dat hij zich ook met deze oude taal heeft bezig gehouden (zie bijlage IX, 10). Vermoedelijk heeft Wichmans naast deze lessen taal- en letterkunde ook cursussen theologie en filosofie gevolgd in de abdij, blijkens de opgaven van dictaten betreffende deze vakgebieden.Zie bijlage IX, 37, 38, 39; X, 35, 36, 37, 38; XI, 31, 32. Deze dictaten heeft Wichmans steeds bij zich gehad (zie bijlage XII, 22, 23; XIII, 19, 20; XIV, 25; XV, 41; XVI, 72 en XVII, 80). De dictaten met commentaar op de "Summa Theologiae" van Thomas van Aquino heeft Wichmans vanaf zijn lijst van 1619 niet meer per deel beschreven en dat verklaart het verschil in de percentages betreffende de dogmatische theologie tussen de lijst van 1618 en die van 1619. De studie van de klassieke taal- en letterkunde heeft Wichmans na de jaren 1617-1619 waarschijnlijk niet meer beoefend. In zijn lijst van 1620 deed hij de werken op dit gebied die hij ook toen blijkbaar nog bezat af met de mededeling "insuper etiam aliquot inutiles humanistae et poetae".Zie bijlage XII, 26. Slechts voor de "Orationes" van Cicero en de werken van de dichters Horatius en Martialis schijnt hij waardering gehad te hebben, aangezien deze werken in bijna al zijn lijsten voorkomen. In de lijsten uit de jaren 1620-1625 spelen de taal- en letterkundige werken geen belangrijke rol, maar daarentegen weer wel in de lijsten van 1628 en 1629. In deze twee boekenlijsten is de categorie taal- en letterkunde toch weer de meest omvangrijke. Dit betekent echter niet dat Wichmans zich plotseling opnieuw ging interesseren voor de werken van klassieke auteurs en humanisten. Wichmans' belangstelling voor de taal- en letterkunde in de latere jaren gold hoofdzakelijk de studie van de Franse en de Spaanse taal. Vanaf 1624 had hij enkele werken in het Frans in zijn bibliotheek opgenomenEen preekbundel van Gabriël Dupuyherbault OSB, een filosofisch werkje van de dichter Pontus de Thyard de Bissy, een verhandeling op het gebied van de moraaltheologie van Johannes Benedicti OFM en de oorspronkelijke Franse versie van het bekende werk "Flores exemplorum, sive catechismus historialis" van de Zuidnederlandse jezuïet Antonius Davroultius (zie bijlage XIII, 6, 8; XIV, 7 en XV, 37). en in 1626 voegde hij daar een woordenboek Nederlands-Frans en een Franse grammatica aan toe.Zie bijlage XV, 27, 28. In hetzelfde jaar trachtte hij zich de Spaanse taal aan te leren door het bestuderen van een Spaanse grammatica en door het werk "De imitatione Christi" van Thomas van Kempen zowel in het Latijn als in het Spaans te lezen.Zie bijlage XV, 28, 29. Dat het hem ernst was met de studie van deze twee talen blijkt uit het feit dat hij in 1628 en in 1629 twee schoolboekjes met "Colloquia" gebruikte, waarvan een met uitsluitend spreekvaardigheidsoefeningen in het Spaans.Zie bijlage XVI, 77 en XVII, 32. Verder schijnt hij een liefhebber te zijn geweest van gedichten, want in 1628 bezat hij naast de complete werken van de dichters Horatius en Martialis, een uitgave van de fabels van Aesopus en de "Epigrammata" van de jezuïet Bernardus Bauhusius.Zie bijlage XVI, 40 en 56.
Wichmans toonde, in tegenstelling tot Eynthouts, reeds voor zijn studie aan de universiteit van Leuven een grotere belangstelling voor werken in het genre kerkelijke literatuur. Al in 1620, twee jaar voor zijn inschrijving als student, lag in zijn bibliotheek de nadruk niet meer op het genre profane literatuur. Als we de vergelijking tussen de eerste boekenlijsten van Eynthouts en van Wichmans doortrekken dan valt verder op dat ook Wichmans geen bepaalde voorkeur gehad schijnt te hebben voor een categorie in de kerkelijke literatuur. In zijn zes lijsten uit de periode 1620-1629, met een hoog percentage kerkelijke literatuur, zijn afwisselend de categorieën van de spiritualiteit, de homiletiek en de controverstheologie het meest nadrukkelijk aanwezig. De verschillen tussen deze categorieën onderling zijn echter in de lijsten van Wichmans niet zo groot als in die van Adrianus Eynthouts. Ditzelfde geldt voor alle andere in Wichmans' bibliotheek voorkomende categorieën betreffende het genre kerkelijke literatuur. De lijsten uit de periode 1620-1629 vertonen geen opvallende verschillen. Voor elk theologisch vakgebied had Wichmans in de jaren 1620-1629 een vrij constante belangstelling. Alleen is het wel opmerkelijk dat de auteur van het bekende "Brabantia Mariana" in genoemde jaren zeer weinig werken betreffende Mariadevotie in zijn boekenkast had staan.
2.3.3. De boeken van Wichmans te Tilburg (1635)
In zijn op 28 augustus 1635 te Tilburg opgestelde inventaris gaf Wichmans informatie over de indeling van de pastorie van Tilburg, het huis Moerenburg, door de daar door hem gebruikte voorwerpen, kleding en meubels gedetailleerd per vertrek te beschrijven. Dit was voor de Tilburgse archivaris en historicus Arjan van Loon aanleiding om deze inventaris in zijn geheel als bijlage bij zijn studie over de geschiedenis van het huis Moerenburg op te nemen.Van Loon, 116-126.
Het inventaris van 1635 bevat een uitgebreide boekenlijst. Wichmans vermeldde zijn boeken bij de inboedel van de "Cubiculum pastoris" en noteerde ze op dezelfde manier als in zijn vorige inventarissen, dus naast elkaar. De boekenopgave vertoont geen systematische ordening, maar bevat wel meer gegevens omtrent de uitvoering van de werken dan de inventarissen uit de jaren 1617-1629. Bij 41 opgaven werd melding gemaakt van het aantal delen of banden en van achttien werken werd het formaat aangegeven. Bovendien meldde Wichmans van één werk dat het in twee met goud bestempelde banden was gebonden en van twee dat ze "in antiquo charactero" in zijn bibliotheek aanwezig waren, wat waarschijnlijk betekent dat hij twee incunabelen of postincunabelen bezat.Zie bijlage XVIII, 6 en 58.
Tabel 3.1.2 geeft aan dat Wichmans in zijn boekenlijst van 1635 in totaal 185 opgaven noteerde, maar in werkelijkheid bezat hij te Tilburg een veel omvangrijkere bibliotheek. Een groot aantal werken van zijn Tilburgse boekenbezit heeft hij namelijk in zijn inventaris niet nauwkeurig omschreven. Het betreft een aantal apart uitgegeven werkjes van de jezuïet Robertus Bellarminus, de dominicaan Ludovicus Granatensis en de seculier Aubertus MiraeusZie bijlage XVIII, 2, 74 en 97., en verder "aliquot Poetae et Humanistae", "aliquot etiam libri Hispanici" en "multi pii libelli et alii plurimi de diversis materiis (...)".Zie bijlage XVIII, 123, 124 en 125. Deze vage opgaven konden uiteraard niet worden meegerekend bij de analyse van Wichmans' Tilburgse bibliotheek. Naast deze zes onduidelijke opgaven moesten er ook drie andere buiten beschouwing worden gelaten, omdat die niet konden worden geïdentificeerd.De onder de nummers 60, 94 en 121 vermelde opgaven "Annales Franciae Gallicae" (zie over de mogelijke identificatie van dit werkje bijlage VII, 196), "Duijtschen Medecyn-boeck in folio" en "Instructio Pastorum per Colvenerium". Onder de resterende 176 wel geïdentificeerde opgaven bevinden zich dertien werken zonder een direct aanwijsbare auteur en vijf boeken waarvan door Wichmans geen auteur werd opgegeven en deze dus niet werd achterhaaldZie bijlage XVIII, 50, 54 en 55., zodat er in deze lijst sprake is van 158 werken met auteur. Die 158 werken komen zoals tabel 3.2.2 laat zien op rekening van 107 verschillende auteurs. Daarvan waren er 29 met meer dan één werk vertegenwoordigd en die worden hieronder in een overzicht vermeld:
Auteurs met meer dan één werk in de boekenlijst van Augustinus Wichmans uit 1635:
| Auteurs: | Status: | Aantal werken: |
| Alvarez de Paz, Jacobus | jezuïet | 2 |
| Antoninus Florentinus | dominicaan | 2 |
| Bellarminus, Robertus | jezuïet | 2 |
| Bodenus, Johannes | seculier | 2 |
| Costerus, Franciscus | jezuïet | 2 |
| Davroultius, Antonius | jezuïet | 2 |
| Dionysius Carthusianus | kartuizer | 3 |
| Durandus, Guilielmus | seculier | 2 |
| Goltzius, Hubertus | katholieke leek | 2 |
| Gregorius I, de Grote | seculier | 2 |
| Haraeus, Franciscus | seculier | 3 |
| Jansenius, Cornelius (Gent) | seculier | 4 |
| Johannes Chrysostomus | kerkvader | 3 |
| Lapide, Cornelius a | jezuïet | 7 |
| Lessius, Leonardus | jezuïet | 2 |
| Lipsius, Justus | katholieke leek | 5 |
| Marchant, Jacques | seculier | 3 |
| Mertz, Martinus | norbertijn | 2 |
| Molanus, Johannes | seculier | 2 |
| Paludanus, Johannes | seculier | 4 |
| Pintus, Hector | hiëronymiet | 2 |
| Ponte, Ludovicus de | jezuïet | 2 |
| Raissius, Arnoldus | seculier | 2 |
| Ribera, Franciscus | jezuïet | 2 |
| Ryckel, Joseph Geldolphe van | regulier kanunnik | 8 |
| Stapleton, Thomas | seculier | 2 |
| Sweertius, Franciscus | katholieke leek | 2 |
| Wichmans, Augustinus | norbertijn | 4 |
| Zypaeus, Franciscus | seculier | 2 |
Uit dit overzicht komen overduidelijk Joseph Geldolphe van Ryckel, Cornelius a Lapide en Justus Lipsius als belangrijkste auteurs naar voren, maar daarbij moeten we wel bedenken dat Robertus Bellarminus zeker met meer dan twee werken in de bibliotheek aanwezig was en dat waarschijnlijk ook Ludovicus Granatensis en Aubertus Miraeus in dit overzicht thuis horen, maar dat het exacte aantal werken van deze drie auteurs niet bekend is.
Een vergelijking van de gegevens betreffende de achtergronden van de auteurs van de boekenlijst van 1635 met die van de lijst van 1629 (de tabellen 3.3.2, 3.4.2 en 3.5.2) leert dat Wichmans in de periode 1629-1635 bij zijn literatuurselectie zijn keuze op nagenoeg dezelfde categorieën auteurs liet vallen als in de periode daarvoor. De in de tabellen weergegeven percentages betreffende de beide lijsten lopen namelijk over het algemeen niet ver uiteen. Uiteraard zijn er enige verschillen tussen beide lijsten te constateren, maar deze zijn niet zo groot dat er gesproken kan worden van totaal andere voorkeur. Voor wat betreft de tijdsindeling van de auteurs moet opgemerkt worden dat Wichmans vergeleken met 1629, in 1635 procentueel gezien belangrijk minder werken bezat van auteurs uit de periode vóór 500 en dat hij in de tussen 1629 en 1635 liggende jaren weer veel werken van schrijvers uit de periode 1550-1650 aan zijn bibliotheek heeft toegevoegd. Tabel 3.4.2 toont aan dat Wichmans in 1635 nog nadrukkelijker de werken van Zuidnederlandse auteurs prefereerde boven die van Noordnederlandse en dat in de periode 1629-1635 een accentverschuiving plaats vond in zijn bibliotheek tussen de categorieën Spaanse en Italiaanse schrijvers in het voordeel van de Spanjaarden, waardoor dezen na de Zuidnederlanders het best in Wichmans' bibliotheek van 1635 vertegenwoordigd waren, ook al is in tabel 3.4.2 het niet aangegeven aantal werkjes van de Spaanse dominicaan Ludovicus Granatensis zoals vermeld niet opgenomen. Kijken we naar de gegevens over de status van de auteurs van de lijsten van 1629 en 1635 dan zien we dat het geringe aantal werken van schrijvers uit de periode vóór 500 in de lijst van 1635 hoofdzakelijk is toe te schrijven aan het feit dat Wichmans in dat jaar vergeleken met 1629 minder werken van klassieke auteurs bezat. Bovendien had hij in 1635 niet meer werken van kerkvaders en vroeg-christelijke auteurs dan in 1629, waardoor deze categorie auteurs in de lijst van 1635, zeker in verhouding tot de wel aangevulde categorieën, een minder belangrijke rol speelde, wat tot uitdrukking komt in de opgegeven percentages. Verder valt het op dat Wichmans' bibliotheek in 1635 meer werken van verschillende jezuïeten bevatte dan in 1629, waardoor in 1635 alleen al deze ene categorie reguliere geestelijken met meer schrijvers in de bibliotheek vertegenwoordigd was dan de categorie seculiere geestelijken.
Bezien we de samenstelling van Wichmans' bibliotheek in de jaren 1629 en 1635 vanuit de informatie over de inhoud van de in die twee jaren opgegeven boeken (tabel 3.6) dan springen er wel enkele zeer opmerkelijke verschillen in het oog. Wichmans' belangstelling voor de profane literatuur, met name voor de taal- en letterkunde was in 1635 miniem. Daarentegen had hij in de periode 1629-1635 een grotere interesse voor kerkelijke literatuur ontwikkeld. Diverse categorieën in dit genre waren in 1635 belangrijk aangevuld, zoals die van het bijbelcommentaar, de moraaltheologie, de homiletiek, de Mariadevotie, en het kerkelijk recht. De overige categorieën waren in 1635 min of meer in dezelfde mate aanwezig als in 1629. Slechts de categorie van de ordesgeschiedenis had sterk aan belangrijkheid ingeboet.
Het verschil in karakter tussen Wichmans' boekenbezit in 1629 en 1635 blijkt ook uit het feit dat van de 176 geïdentificeerde werken van de lijst van 1635 er slechts 59 voorkomen in die van 1629. Meer dan de helft van de boeken van 1635 had Wichmans dus tijdens zijn verblijf te Mierlo en te Tilburg in zijn bibliotheek opgenomen. Een klein gedeelte van die 117 werken was afkomstig uit het boekenbezit van zijn voorganger te Mierlo, Theodorus Verbraecken. Blijkens zijn inboedelinventarissen van 1613, 1614, 1623 en 1625 bezat Verbraecken te Mierlo ongeveer 336 boeken.AAT, Sectie IV, bundel 135/1, no. 183 en no. 201 en bundel 136 no. 432 en 454. Van deze 336 opgaven komen er 37 ook voor op de lijst van Wichmans van 1635. Deze 37 werken waren in 1629 nog niet in Wichmans bibliotheek aanwezig. Het overzicht op de volgende pagina geeft een idee van de aard van Wichmans' aanwinsten:
Overzicht van de herkomst van de 176 geïdentificeerde werken van de lijst van Augustinus Wichmans uit 1635:
| Vakgebied: | Wichmans 1629: | Verbraecken 1625: | Nieuw: |
| Kerkelijke literatuur: | |||
| - Bijbeluitgaven: | 1 | - | 2 |
| - Bijbelcommentaar: | 5 | 7 | 13 |
| - Kerkvaders: | 2 | 5 | 1 |
| - Dogmatische theologie: | 6 | 1 | 4 |
| - Moraaltheologie: | 3 | 5 | 2 |
| - Pastoraaltheologie: | - | 1 | 3 |
| - Controverstheologie: | 4 | 1 | 3 |
| - Homiletiek: | 6 | 6 | 6 |
| - Catechese: | 1 | 1 | 2 |
| - Spiritualiteit: | 5 | - | 9 |
| - Mariadevotie: | 1 | - | 7 |
| - Hagiografie: | 4 | 1 | 7 |
| - Liturgie: | 3 | - | 3 |
| - Kerkelijk recht: | 2 | 4 | 4 |
| - Kerkgeschiedenis: | 8 | 3 | 1 |
| - Ordesgeschiedenis: | 2 | - | 1 |
| - Missiegeschiedenis: | - | - | - |
| Subtotaal kerkelijke literatuur: | 53 | 35 | 68 |
| Profane literatuur: | |||
| - Profane geschiedenis, reisbeschrijvingen en aardrijkskunde: | 1 | - | 5 |
| - Taal- en letterkunde: | 3 | 2 | 3 |
| - Wijsbegeerte, staatkunde en wetenschappen: | 2 | - | 1 |
| - Burgerlijk recht: | - | - | 1 |
| - Overigen: | - | - | 2 |
| Subtotaal profane literatuur: | 6 | 2 | 12 |
| Totaal: | 59 | 37 | 80 |
Bestuderen we dit overzicht nauwkeurig, dan valt het op dat Wichmans' bibliotheek in bijna alle categorieën binnen het genre kerkelijke literatuur belangrijke veranderingen heeft ondergaan. De categorieën die volgens tabel 3.6 in de periode 1629-1635 niet of nauwelijks met nieuwe werken werden aangevuld blijken namelijk volgens bovenstaande gegevens in 1635 toch anders te zijn samengesteld dan in 1629. Dit komt het meest tot uiting in de categorie spiritualiteit. Als we de gegevens van bovenstaand overzicht combineren met die van tabel 3.6 en daarbij in het achterhoofd houden dat van de hier niet opgenomen werkjes van de dominicaan Ludovicus Granatensis er zeker ook enkele in deze categorie thuis horen, dan moeten we zelfs constateren dat de werken op dit gebied, samen met die van de categorieën exegese en homiletiek voor een belangrijk deel het karakter van de bibliotheek van Wichmans in 1635 bepaalden. Van de 24 boekwerken die Wichmans in de jaren 1617-1629 vrij veel raadpleegde zijn er nog maar tien in de lijst van 1635 terug te vindenHet betreft de nummers 4, 5, 6, 8, 11, 12, 16, 20, 21 en 22 van het op pagina 82 weergegeven overzicht. en van deze tien werken zijn er slechts vier in alle lijsten van Wichmans aanwezig, te weten: het werk over de filosofie van Aristoteles van Franciscus Suarez SJ, de Clementijnse bijbel, het getijdenboek van de orde van Prémontré en Wichmans' dictaten met commentaar op de "Summa Theologiae" van de bekende middeleeuwse theoloog Thomas van Aquino OP.
In 1636 verliet Wichmans de parochie Tilburg omdat hij zich daar niet meer veilig achtte in verband met de strenge Retorsie-plakkaten van de Staten-Generaal. Hij vestigde zich op de abdijhoeve te Alphen in de Baronie van Breda en vanuit die schuilplaats trachtte hij zo zijn parochianen zo goed mogelijk van dienst te zijn. Uit de periode waarin hij te Alphen verbleef is van hem maar één inboedelinventaris bewaard gebleven. Het werd opgesteld op 8 juli 1641 en het bevat een opgave van het gedeelte van de inboedel van de pastorie van Tilburg die Wichmans te Alphen gebruikte. De overige inboedel van het huis Moerenburg had Wichmans uit vrees voor inbeslagname daarvan door Pieter Schuyl, de door de Staatsen aangestelde rentmeester van de geestelijke goederen van stad en Meierij van 's-Hertogenbosch, op diverse plaatsen in Tilburg ondergebracht, onder andere in de archiefkamer en de sacristie van de kerk. Daaronder bevond zich ook een deel van zijn bibliotheek en daarom was Wichmans niet in staat een volledig overzicht te geven van de door hem gebruikte boeken.In de inboedelinventaris meldde hij zijn abt: "Bibliothecam pro maiori parte iam habeo in Alphen, sunt tamen adhuc multi libri in Tilburg, quorum nominum praecisae non recordor". AAT, Sectie IV, bundel 137/1, no. 525. Het enige boek dat hij in het inventaris van 1641 beschreef, betreft een werk dat niet in zijn boekenlijst van 1635 voorkomt, namelijk: "eenen vergulden Missael in roodt fluweel gebonden".N.B. Zowel Van Emmerick als Van Dijck bezaten te Tilburg een "Missale Romanum" (zie bijlage II, 72 en XX, 90).
2.4. De bibliotheek van Augustinus van Dijck
2.4.1. De inboedelinventarissen van Van Dijck
Van Augustinus van Dijck zijn evenals van Augustinus Wichmans elf inboedelinventarissen bewaard gebleven, maar daarvan bevatten er slechts drie een volledige opgave van gebruikte boeken. Een van deze drie inventarissen dateert uit 1627, het jaar waarin Van Dijck naar Rome vertrok.AAT, Sectie IV, bundel 136, no. 473/10. De andere twee werden opgesteld te Tilburg, in de jaren 1655 en 1658.AAT, Sectie IV, bundel 138, no. 644 en bundel 139/1, no. 677. Van de acht overige inventarissen is er één afkomstig uit de periode waarin Van Dijck de zielzorg uitoefende in de parochie Mierlo, namelijk uit 1641AAT, Sectie IV, bundel 137/1, no. 523., en zijn er zeven door hem ingediend als pastoor van Tilburg, te weten in de jaren 1643, 1646, 1647, 1649, 1650, 1652 en 1656.AAT, Sectie II, 878, achterzijde, fol. 18r-19v; AAT, Sectie IV, bundel 137/2, no. 556, no. 562 en no. 572; bundel 138, no. 586 en no. 614 en bundel 139/1, no. 658.
Het inventaris uit 1641 werd door Van Dijck opgesteld te Tongerlo, op 11 juli, de feestdag van de heilige Norbertus. Het beslaat maar één bladzijde en bevat een verantwoording van zijn activiteiten te Mierlo na zijn aanstelling in die parochie in 1636. Zo berichtte hij onder andere over de afhandeling van de lopende zaken van zijn overleden voorganger, Matthaeus Drunaeus.Matthaeus Drunaeus, eigenlijk Matthaeus Gulielmi, werd geboren te Drunen in 1595. Hij legde op 18 april 1620 te Tongerlo de kloostergeloften af en was achtereenvolgens vicaris te Herentals en te Diest, circator en novicenmeester in de abdij en coadjutor te Tilburg en Enschot, voordat hij in 1635 als pastoor in Mierlo werd aangesteld, waar hij op 4 augustus 1636 stierf. Van hem is een vertaling bekend van "Sabbatismus Marianum" van Augustinus Wichmans, verschenen in 1633 bij de Antwerpse drukker Cnobbaert, onder de titel: "Den Saterdagh van Onse Lieve Vrouwe". Necrologium, 152. Uit het feit dat hij dit pas in 1641 deed, mogen we opmaken dat Van Dijck beslist een aantal moeilijke jaren te Mierlo heeft doorgebracht en dat hij vermoedelijk in de periode 1636-1641 niet of nauwelijks in de abdij is geweest. Betreffende de inboedel van de pastorie van Mierlo schreef Van Dijck in het inventaris van 1641 dat hij de gebruiksvoorwerpen en boeken van Drunaeus die hij na diens dood te Mierlo had aangetroffen met toestemming van de abt had behouden en dat hij die op verschillende plaatsen bewaarde, namelijk op het kasteel en in de kerk van Mierlo en te Gemert."Ego infra scriptus ex liberalitate et benevolentia Reverendi Domini mei Abbatis retinui quaecumque post obitum Decessoris mei remanserant in Pastoratu. Pars utensilium et librorum est in Castro Mierloensi, pars in Ecclesia Mierloensi, pars in Gemert". AAT, Sectie IV, bundel 137/1, no. 523. Omtrent de bibliotheek van Drunaeus zijn we niet geïnformeerd, want hij heeft als pastoor van Mierlo geen inboedelinventarissen nagelaten. Daardoor is niet na te gaan hoeveel boeken van Drunaeus door Van Dijck werden meegenomen naar Tilburg.Drunaeus heeft als pastoor van Mierlo een aantal boeken gekocht te Antwerpen, want Van Dijck moest daarvoor nog een open staande rekening betalen: "Solvi pro decessore meo Antverpia apud Bibliopolas 28 florenos". AAT, Sectie IV, bundel 137/1, no. 523.
In zijn eerste inventaris als pastoor van Tilburg geeft Van Dijck een opsomming van door Wichmans achtergelaten gebruiksvoorwerpen en meubels, bewaard in de pastorie en de parochiekerk van Tilburg en in Alphen."Inventarius supellectilis mihi Augustino van Dijck Pastori in Tilburg relictae ab admodum Reverendo Domino Augustino Wichmans antecessore meo Dignissimo Coadiutore in Tungerlo Anno 1643". AAT, Sectie II, 878, achterzijde, fol. 18r-19v. Dit inventaris maakt geen melding van boeken en daaruit kan worden afgeleid dat Van Dijck noch in Tilburg, noch in Alphen boeken van Wichmans aantrof.Meer daarover in paragraaf 2.5.
Van Dijck woonde in de eerste jaren van zijn Tilburgse pastoraat te Alphen, maar van 1645 tot 1648 weer in Tilburg, waarschijnlijk in de pastorie.Zie p. 46-47. Uit zijn inventaris van 1646 blijkt dat hij zich te Tilburg, ondanks zijn duur betaalde vrijgeleide, niet echt veilig achtte, want in dat jaar meldde hij zijn abt dat hij hem geen opgave van zijn boeken kon verschaffen, omdat die zich nog voornamelijk te Alphen bevonden en dat hij dat, gezien de omstandigheden, nog een tijdje zo wilde laten."Cathalogus librorum meorum non describo, (...), quia non omnes habeo, sed maxima pars adhuc est in Alphen in antiquo nostro cubiculo, quos ibi reliqui hactenus quia non satis tuto poteram eosdem hoc tempore huc transferre vel hic custodire, et ibidem bene et fideliter custodiuntur (...)". AAT, Sectie IV, bundel 137/2, no. 556. Hoe lang Van Dijck zijn boeken te Alphen liet is niet helemaal duidelijk. In zijn inventaris van 1647 verwees hij betreffende de beschrijving van zijn inboedel en zijn boeken naar het inventaris van 1646 en meldde hij slechts dat hij ondertussen het "Auctarium" van Matthias Faber SJ had gekocht."Supellectilem meam anno superiore satis specificavi, manet hoc anno fere eadem, sicut et libri etiam, praeter auctarium fabri, quod emi - 16 florenis". AAT, Sectie IV, bundel, 137/2, no. 562 (zie bijlage XX, 41). In 1649 bevonden zijn boeken zich echter wel te Tilburg, hoewel ook toen nog niet echt binnen handbereik. In dat jaar woonde Van Dijck in bij parochiaan Georgius Verschueren, omdat hij in 1648 zijn pastorie had moeten afstaan aan een gereformeerde predikant.Zie p. 46-47. Uit zijn inventaris van 1649 blijkt dat hij na zijn verdrijving uit zijn pastorie zijn hele inboedel had ondergebracht op zeven verschillende plaatsen in Tilburg. Alle boeken had hij aan "Claesken Henricx op den Heuvel" in bewaring gegeven. Slechts enkele werken had hij achtergehouden voor zijn dagelijks gebruik, onder andere een deel van de bekende "Kerckelycke Historie" van zijn confrater Dionysius Mudtsaerts en een preekbundel van Franciscus Costerus SJ."(...) in domo Elizabeth Verschueren (...) het eerste deel van de kerckelycke historie D. Dionysii Mutzaerts, Costerus in Epistolas et Cantica (...), tot Claesken Henricx op den heuvel eenen groote kiste met alle de boecken, daerder sommige hebbe wtgehaelt tot mijn daegelijckx gebruijck (...)". AAT, Sectie IV, bundel 137/2, no. 572 (zie bijlage XX, 9 en 12). Vanaf 4 juni 1652 woonde Van Dijck niet meer bij de familie Verschueren, maar hield hij verblijf op het kasteel van Tilburg.AAT, Sectie IV, bundel 138, no. 614. Waarschijnlijk heeft hij daar zijn inboedel weer verzameld, want in zijn inventarissen van 1655 en 1658 heeft hij een volledige beschrijving gegeven van zowel gebruiksvoorwerpen, kleding, meubels, als boeken, zonder enige beperking.AAT, Sectie IV, bundel 138, no. 644 en bundel 139/1, no. 677.
2.4.2. De boeken van Van Dijck in 1627
Augustinus van Dijck bezat in 1627 een vrij kleine bibliotheek, waarschijnlijk omdat hij pas twee jaar tevoren was ingetreden. Zijn inboedelinventaris van 1627 bevat een boekenlijst met 33 opgaven, die in één kolom onder elkaar staan, zonder enige vorm van ordening en zonder nadere informatie betreffende aantal delen of banden en formaat.
Zoals tabel 4.1 laat zien werden van Van Dijcks 33 opgaven uit zijn lijst van 1627 er hier een viertal buiten beschouwing gelaten. Daarvan werd er één niet duidelijk genoeg omschreven, bleken er twee geen betrekking te hebben op boekwerken en kon er slechts één niet worden geïdentificeerd.Zie bijlage XIX, 5, 26, 28 en 8. Daardoor komt het totale aantal geïdentificeerde werken op 29. Onder deze 29 werken bevinden zich vier werken zonder een direct aanwijsbare auteur.Zie bijlage XIX, 1, 11, 23 en 24. Van slechts één werk kon de auteur niet met zekerheid worden vastgesteld.De onder nummer 7 opgegeven dictaten, waarschijnlijk van Van Dijck zelf. Het aantal werken met auteur bedraagt dus 24 en daarvoor zijn in totaal 21 verschillende auteurs verantwoordelijk.Het betreft Timannus Borckensis (zie bijlage XIX, 25). Vanwege het feit dat deze auteur niet in de berekeningen werd opgenomen wegens gebrek aan gegevens, verschillen de eindtotalen van de tabellen 4.3 en 4.5 met die van tabel 4.2. Het aantal auteurs met meer dan één werk is dus uiterst klein, slechts drie, maar gezien de omvang van de bibliotheek is dat uiteraard niet zo vreemd. Het betreft de jezuïet Jacobus Alvarez de Paz en de twee norbertijnen Laurentius Landtmeter en Augustinus Wichmans, beiden afkomstig uit de abdij Tongerlo. Zij zijn met ieder twee werken de belangrijkste auteurs in Van Dijcks bibliotheek in 1627.
Als we de tabellen 4.3, 4.4 en 4.5 bekijken dan zien we dat Van Dijck in 1627 hoofdzakelijk literatuur bezat van schrijvers uit de periode 1550-1650 en dat hij niet geïnteresseerd was in auteurs uit de Middeleeuwen en de Renaissance. De auteurs uit de periode vóór 500 betreffen hoofdzakelijk klassieke auteurs.De Romeinse dichters Gaius Valerius Catullus, Albius Tibullus en Sextus Aurelius Propertius (zie bijlage XIX, 13). De vierde schrijver uit de categorie auteurs vóór 500 betreft de joodse geschiedschrijver Flavius Josephus (zie bijlage XIX, 2). Van Dijck bezat geen werken van kerkvaders en vroeg-christelijke schrijvers. De drie auteurs uit de zestiende eeuw zijn de Fransman Viexmontius en de Duitsers Binsfeldius en GropperZie bijlage XIX, 21, 12 en 20. en dat betekent dat de auteurs uit de periode 1550-1650 voornamelijk afkomstig zijn uit de Nederlanden en met name de Zuidelijke Nederlanden. Kijken we naar de status van de auteurs, dan blijkt dat Van Dijck een sterke voorkeur had voor de werken van reguliere geestelijken. De norbertijnen en de jezuïeten zijn het best in zijn bibliotheek vertegenwoordigd, hetgeen ook al tot uiting kwam bij de bespreking van de auteurs met meer dan één werk.
Bezien we de samenstelling van Van Dijcks bibliotheek uit 1627 vanuit de informatie van tabel 4.6 over de spreiding van de werken naar vakgebied, dan valt allereerst te constateren dat Van Dijck, in tegenstelling tot Van Emmerick, Eynthouts en Wichmans, reeds in zijn eerste boekenlijst vrij veel kerkelijke literatuur opgaf. Van de 29 geïdentificeerde werken uit zijn lijst van 1627 horen er 22 (75,9 %) tot dit genre en hoofdzakelijk tot de categorieën ordesgeschiedenis, liturgie, spiritualiteit en moraaltheologie. De profane literatuur is in Van Dijcks lijst van 1627 van ondergeschikt belang. Hij bezat weliswaar drie werken in de categorie taal- en letterkunde, maar die betreffen de vermoedelijk tesamen uitgegeven werken van de Romeinse dichters Catullus, Tibullus en Propertius, zodat er dus eigenlijk in deze categorie slechts sprake is van één uitgave.Zie bijlage XIX, 13. Dit betekent dat in het genre profane literatuur de categorie wijsbegeerte, staatkunde en wetenschappen eigenlijk de voornaamste is, want vermoedelijk behoorde, naast het wijsgerige werk van de jezuïeten van het college van Coïmbra en de vermoedelijk door Van Dijck zelf gemaakte dictaten betreffende de logica en de metafysica, ook het niet geïdentificeerde werk "compendium logices" tot deze categorie.Zie bijlage XIX, 6, 7 en 8. Als we dan de niet duidelijk omschreven opgaven "aliquot conciones gallicae" en "aliquot theses" in de categorieën homiletiek en dogmatische theologie onderbrengen, dan blijkt dat van de belangrijkste theologische vakgebieden slechts de categorieën exegese, kerkvaders en kerkelijk recht in de bibliotheek ontbreken. Verder is het opmerkelijk dat Van Dijck al in 1627 het belangrijke moraaltheologische werk van Leonardus Lessius SJ "De Justitia et Jure" bezat, alsmede het handboek pastoraaltheologie van Petrus Binsfeldius, getiteld: "Enchridion theologiae pastoralis", en dat hij in de categorie spiritualiteit enkele zeer bekende werkjes in zijn boekenkast had staan, zoals "Via vitae aeternae" van Antonius Sucquet SJ, "De vita religiosa instituenda" van Jacobus Alvarez de Paz SJ en "De gemitu columbae" van Robertus Bellarminus SJ.Zie bijlage XIX, 3, 12, 9, 10 en 22. Zijn bibliotheek van 1627 viel dus eerder op door kwaliteit, dan door kwantiteit.
2.4.3. De boeken van Van Dijck te Tilburg (1655-1658)
De boekenlijsten van Van Dijcks inboedelinventarissen van 1655 en 1658 zijn bijna geheel identiek. Het enige verschil tussen deze twee lijsten betreft de afwezigheid in de lijst van 1658 van zes opgaven uit die van 1655.De "Adversaria Sacra" van Johannes Ludovicus de la Cerda SJ, de twee maal opgegeven preekbundel van Ildephonsus Giron OP, het "Enchiridon theologiae pastoralis" van Petrus Binsfeldius, de verhandeling "De ascensione mentis in Deum" van Robertus Bellarminus SJ en het "Enchiridion sive Manuale confessariorum et poenitentium" van Martin de Azpilcueta (zie bijlage XX, 5, 27, 60, 130, 154 en 168). Mogelijk waren deze werken in 1658 nog wel in Van Dijcks bibliotheek aanwezig, maar had hij ze vergeten op te tekenen, bijvoorbeeld omdat ze met andere werken waren samengebonden (vergelijk bijlage XX, 154). en daarom wordt hier slechts aandacht besteed aan de laatstgenoemde lijst.
De boekenopgave van het inventaris dat Van Dijck in 1655 op het feest van de heilige Norbertus te Tongerlo aan zijn abt overhandigde, beslaat ruim zes bladzijden. De werken staan voornamelijk per auteur bij elkaar, maar soms ook volgens vakgebied. Zo plaatste Van Dijck aan het begin van de lijst al zijn preekbundels bijeen. Omtrent de uitvoering van de werken is de informatie uiterst schaars. Van maar elf opgaven wordt het aantal delen of banden aangegeven en bij geen enkel werk staat een vermelding van het formaat.
Van Dijcks Tilburgse bibliotheek was zeer omvangrijk. Zijn boekenlijst van 1655 bevat maar liefst 254 opgaven. In feite is er echter in deze lijst sprake van 265 werken. Dit aantal wordt bereikt door een doorgehaalde opgave van de twee maal vermelde preekbundel van de dominicaan Ildephonsus Giron en een opgave met twaalf niet duidelijk omschreven Nederlandstalige werken met het totale aantal van 254 te verrekenen.Zie bijlage XX, 27, 60 en 214. Bij de analyse moesten de twaalf niet nader bekende Nederlandstalige boeken echter buiten beschouwing worden gelaten, alsmede de doorgehaalde opgave en vijf werken die niet konden worden geïdentificeerdHet betreft de opgaven: "De 7 verbis Domini", "Authoritates S. Patrum per Eustachium", "Lammius super psalmos", "Enchridion de necessitate, utilitate et forma Deum orandi" en "Elementa ad Sanctas confessiones" (zie bijlage XX, 160, 162, 183, 184 en 201). Betreffende de opgave "De 7 verbis Domini" suggereert Van Dijck dat het een werkje van Vincentius Bruno SJ betreft. Van deze auteur is echter geen boek met deze titel bekend. Mogelijk vergiste Van Dijck zich en bedoelde hij het bekende werkje "De septem verbis a Christo in Cruce prolatis libri II" (Rome, 1618, 12°; Antwerpen, B. Moretus en weduwe J. Moretus, 1618, 8°) van Robertus Bellarminus SJ. (DBS, I, 1241)., waardoor er dus slechts werd uitgegaan van 247 geïdentificeerde werken. Daaronder zijn dertien werken zonder een direct aanwijsbare auteur te vinden en zeven werken waarvan niet met zekerheid kon worden vastgesteld wie ervoor verantwoordelijk was als auteur.Zie bijlage XX, 71, 74, 103 en 107. Dit alles betekent dat er 227 werken van deze lijst wel aan een auteur konden worden toegeschreven. Uit tabel 4.2 blijkt dat deze 227 werken op rekening komen van 152 verschillende auteurs, waarvan er drie niet konden worden geïdentificeerd.Het betreft: Dominicus Nanus Mirabellius, Johannes Giovanus en Paulus Fraxinellus (zie bijlage XX, 72, 181 en 186). Verder kon van Michael de Hungaria en Caspar Rhudolph (zie bijlage XX, 44 en 76) de status niet worden achterhaald. Doordat van deze vijf auteurs niet alle gegevens konden worden opgenomen, verschillen de eindtotalen van de tabellen 4.2, 4.3 en 4.5. Het aantal auteurs met meer dan één werk is in Van Dijcks bibliotheek van 1655 dan ook zeer groot, namelijk 36. De gegevens over deze 36 auteurs worden hieronder in een overzicht weergegeven:
Auteurs met meer dan één werk in de boekenlijst van Augustinus van Dijck uit 1655:
| Auteurs: | Status: | Aantal werken: |
| Alvarez de Paz, Jacobus | jezuïet | 3 |
| Augustinus | kerkvader | 3 |
| Becanus, Martinus | jezuïet | 4 |
| Bellarminus, Robertus | jezuïet | 6 |
| Bosschaerts, Willibrordus | norbertijn | 2 |
| Bourgoing, François | oratoriaan | 2 |
| Calamato, Alessandro | seculier | 2 |
| Clichtoveus, Judocus | seculier | 2 |
| Costerus, Franciscus | jezuïet | 5 |
| Dionysius Carthusianus | kartuizer | 2 |
| Drexelius, Jeremias | jezuïet | 8 |
| Faber, Matthias | jezuïet | 2 |
| Ferus, Johannes | franciscaan | 2 |
| Fornerus, Fridericus | seculier | 3 |
| Granatensis, Ludovicus | dominicaan | 4 |
| Helmesius, Henricus | franciscaan | 2 |
| Jovius, Paulus | seculier | 2 |
| Kempen, Thomas van | regulier kanunnik | 2 |
| Lairvelz, Servais de | norbertijn | 2 |
| Landtmeter, Laurentius | norbertijn | 3 |
| Lanspergius, Johannes | kartuizer | 2 |
| Lapide, Cornelius a | jezuïet | 6 |
| Lessius, Leonardus | jezuïet | 4 |
| Marchant, Jacques | seculier | 8 |
| Miraeus, Aubertus | seculier | 2 |
| Molanus, Johannes | seculier | 2 |
| Mudtsaerts, Dionysius | norbertijn | 2 |
| Paludanus, Johannes | seculier | 2 |
| Pinellus, Lucas | jezuïet | 2 |
| Prato Florido, Hugo de | dominicaan | 2 |
| Reginaldus, Valerius | jezuïet | 2 |
| Ribera, Franciscus | jezuïet | 2 |
| Stapleton, Thomas | seculier | 3 |
| Sterre, Johannes Chrysost. v/d. | norbertijn | 7 |
| Wicelius, Georgius | seculier | 2 |
| Wichmans, Augustinus | norbertijn | 4 |
De meest belangrijke auteurs in Van Dijcks bibliotheek van 1655 waren volgens de bovenstaande lijst de jezuïet Jeremias Drexelius en de seculier Jacques Marchant. Verder las Van Dijck ook graag de werken van ordegenoot Johannes Chrysostomus van der Sterre, de abt van de Antwerpse Sint-Michielsabdij, en van de jezuïeten Robertus Bellarminus, Cornelius a Lapide en Franciscus Costerus.
Als we de gegevens over de achtergronden van de auteurs van de lijst van 1655 analyseren (de tabellen 4.3, 4.4 en 4.5) dan zien we dat Van Dijck in 1655 even duidelijke voorkeuren had als in 1627 en voor een deel ook nog vaak dezelfde, ondanks het tijdsverschil van bijna 30 jaar tussen de twee lijsten. Gelet op de gegevens over de tijdsindeling van de auteurs valt echter allereerst een opmerkelijk verschil tussen beide lijsten te constateren. In 1655 beschikte Van Dijck, procentueel gezien, over meer oudere literatuur dan 27 jaar tevoren. Bij nadere bestudering blijkt dit voor een deel te kunnen worden verklaard door zijn verzameling van preekliteratuur in 1655. Onder de 89 werken van de schrijvers uit de periode 500-1600 van de boekenlijst uit dat jaar kunnen namelijk 36 preekbundels worden geteld. Op geen enkel ander vakgebied bezat Van Dijck in 1655 zo'n groot aantal werken van auteurs uit de Middeleeuwen, de Renaissance en de zestiende eeuw. Bezien we de percentages van tabel 4.4 van de boekenlijsten van 1627 en 1655, dan zien we dat Van Dijck, voor wat betreft de geografische afkomst van de auteurs, zijn literatuur in 1655 niet totaal anders selecteerde dan in 1627. Dit valt vooral op te maken uit de percentages betreffende de uit het Duitse Rijk afkomstige auteurs. Het enige wat bij de bestudering van tabel 4.4 opvalt, is dat Van Dijck in 1655 verhoudingsgewijs meer werken van Italiaanse schrijvers in zijn boekenkast had staan, maar dat valt mogelijk te verklaren door zijn lange verblijf te Rome. Kijken we naar tabel 4.5 met informatie over de spreiding van de werken naar de kerkelijke status van de auteurs, dan kunnen we constateren dat ondanks de verschillen in de percentages het globale beeld van de lijst van 1627 ook nog geldt voor die van 1655. Ook in 1655 bezat Van Dijck voornamelijk werken van reguliere geestelijken en vooral van jezuïeten en norbertijnen. De seculiere geestelijken zijn in de bibliotheek van 1655 echter veel beter vertegenwoordigd dan in die van 1627 en de positie van de norbertijnen als tweede belangrijke categorie na die van de jezuïeten wordt in de lijst van 1655 haast overgenomen door de dominicanen en de franciscanen. De norbertijnen overvleugelen de dominicanen en de franciscanen in de bibliotheek van 1655 alleen nog maar, doordat ze daarin met meer schrijvers met meerdere werken aanwezig zijn.
Van de 30 werken die in de lijst van 1627 voorkomen, zijn er in de lijst van 1655 zeker dertien terug te vinden.Vergelijk bijlage XIX, 3, 4, 10, 12, 14, 15, 18, 19, 22, 24 en 27 met bijlage XX, 85, 70, 120, 11, 130, 92, 93, 154, 177 en 104. Op zich is dat niet opmerkelijk, want het betreft over het algemeen tamelijk bekende werken die bijvoorbeeld ook in de lijsten van Van Emmerick, Eynthouts en Wichmans kunnen worden aangetroffen en bovendien is de lijst van 1655 veel omvangrijker dan die van 1627, maar de aanwezigheid in de beide lijsten van het vrij onbekende geschiedkundige werk "Romanarum antiquitatum libri X" van Johann Rossfeld of Johannes RosinusZie bijlage XIX, 4 en bijlage XX, 70., doet vermoeden dat Van Dijck van zijn boeken van 1627, op zijn minst dit ene werk gedurende 27 jaar bij zich heeft gehad.
Uiteraard kan de bibliotheek van Van Dijck van 1655 qua inhoud moeilijk vergeleken worden met die van 1627, vanwege het verschil in grootte. Toch zijn er wel enige parallellen aan te wijzen. Van Dijck had ook in 1655 weinig interesse voor profane literatuur. Alleen de categorie taal- en letterkunde had in zijn bibliotheek van 1655 enige omvang, maar vergeleken met het aantal werken in het genre kerkelijke literatuur speelde deze categorie in de bibliotheek als geheel een onbeduidende rol. Overigens blijkt uit de werken in deze categorie dat Van Dijck evenals Wichmans belangstelling had voor de moderne taalkunde. Zo bezat hij onder andere een Frans, een Italiaans en een Spaans woordenboekZie bijlage XX, 71. en zes werken in het ItaliaansZie bijlage XX, 52, 99, 107, 140, 175 en 202. die hij mogelijk te Rome in zijn bibliotheek had opgenomen. Betreffende het genre kerkelijke literatuur is het opmerkelijk dat Van Dijck in 1655 verhoudingsgewijs nog evenveel belangstelling had voor werken in de categorieën moraaltheologie en spiritualiteit als in 1627 en dat hij daarentegen betreffende de meest belangrijke categorieën van de lijst van 1627, liturgie en ordesgeschiedenis, in 1655, procentueel gezien, in gelijke mate minder interesse toonde. De meest in het oog lopende verschillen tussen de lijst van 1627 en die van 1655 betreffen echter de categorieën bijbelcommentaar, homiletiek en hagiografie. Deze drie categorieën waren namelijk in 1627 niet of nauwelijks in Van Dijcks boekenkast aanwezig, terwijl ze in 1655 samen met die van de moraaltheologie, de controverstheologie en de spiritualiteit tot de meest belangrijke categorieën behoorden. Vooral het grote aantal werken met preekliteratuur in de bibliotheek van 1655 is opmerkelijk. Bijna een kwart van Van Dijcks boekenbezit van 1655 bestond uit preekbundels en de categorie homiletiek bepaalde dan ook voor een belangrijk deel het karakter van de bibliotheek, hetgeen door Van Dijck zelf benadrukt werd doordat hij alle preekbundels aan het begin van zijn lijst noteerde.
2.5 Een Tilburgse bibliotheek?
In de bovenstaande uiteenzettingen over de samenstelling van het boekenbezit van Van Emmerick, Eynthouts, Wichmans en Van Dijck is al diverse malen gewezen op verschillen en overeenkomsten in interessen bij deze vier opeenvolgende pastoors van Tilburg, maar een analyse van hun gezamenlijke Tilburgse boekenbezit, met als uitgangspunt de vraag naar het verband tussen de door ieder van hen afzonderlijk te Tilburg gebruikte boeken is nog niet aan de orde geweest. Daartoe wordt hier een poging ondernomen.
De vier pastoors noteerden in hun Tilburgse inboedelinventarissen in totaal 792 opgaven.Van Emmericks inventaris van 1618-1621 bevatte 122 opgaven en zijn inventarissen van 1622 en 1623 samen zeven; het inventaris van Eynthouts van 1633, dat beschouwd kan worden als een opgave van zijn te Tilburg gebruikte boeken, vermeldde 224 opgaven en in Wichmans' inventaris van 1635 en dat van Van Dijck van 1655 werden respectievelijk 185 en 254 opgaven geteld. Een vergelijking van deze opgaven leert dat er gesproken kan worden van 612 verschillende werken, waaronder 554 met auteur. Daarvoor waren in totaal 355 verschillende auteurs verantwoordelijk. Onder deze 355 auteurs kunnen er 86 met meerdere werken worden geteld. Het zou te ver voeren al deze 86 auteurs met meer dan één werk hier te vermelden en daarom wordt volstaan met de weergave van diegenen onder hen, die in de verschillende Tilburgse boekenlijsten het meest nadrukkelijk aanwezig waren, namelijk met meer dan vijf werken:
Auteurs met meer dan vijf werken in de Tilburgse boekenlijsten van Van Emmerick, Eynthouts, Wichmans en Van Dijck (1618-1655):
| Auteurs: | Status: | Aantal werken: |
| Augustinus | kerkvader | 7 |
| Becanus, Martinus | jezuïet | 6 |
| Bellarminus, Robertus | jezuïeten | 6 |
| Costerus, Franciscus | jezuïet | 9 |
| Drexelius, Jeremias | jezuïet | 11 |
| Granatensis, Ludovicus | dominicaan | 8 |
| Johannes Chrysostomus | kerkvader | 10 |
| Lapide, Corenelius a | jezuïet | 9 |
| Lassus, Roland de | katholieke leek | 6 |
| Lessius, Leonardus | jezuïet | 10 |
| Lipsius, Justus | katholieke leek | 7 |
| Marchant, Jacques | seculier | 10 |
| Ryckel, Joseph Geldolphe van | regulier kanunnik | 8 |
| Sterre, Johannes Chrysostomus v/d. | norbertijn | 7 |
Bij dit overzicht moeten enkele kanttekeningen worden geplaatst. Het is ten eerste niet helemaal volledig, want het exacte aantal werken van Robertus Bellarminus SJ, Ludovicus Granatensis OP en de kerkvader Johannes Chrysostomus is niet bekend en waarschijnlijk hoort ook de Antwerpse polygraaf Aubertus Miraeus in dit rijtje thuisZie p. 56 en p. 87., en ten tweede verschaft het geen beeld van de voornaamste auteurs in de vier bibliotheken tesamen, omdat het voor een deel slechts een optelsom is van de persoonlijke voorkeur voor wat betreft auteurs van elk van de vier Tilburgse pastoors afzonderlijk. Niet alle bovengenoemde auteurs komen namelijk in elk van de vier Tilburgse lijsten voor. Wanneer we de lijsten volgens dat criterium analyseren, dan ontstaat er een heel ander overzicht:
Auteurs aanwezig in elk van de vier Tilburgse boekenlijsten van Van Emmerick, Eynthouts, Wichmans en Van Dijck (1618-1655):
| Auteurs: | Status: |
| Alvarez de Paz, Jacobus | jezuïet |
| Aquino, Thomas van | dominicaan |
| Azpilcueta, Martin de | seculier |
| Bellarminus, Robertus | jezuïet |
| Binsfeldius, Petrus | seculier |
| Bodenus, Johannes | seculier |
| Costerus, Franciscus | jezuïet |
| Durandus, Guilielmus | seculier |
| Granatensis, Ludovicus | dominicaan |
| Lessius, Leonardus | jezuïet |
| Mudtsaerts, Dionysius | norbertijn |
| Ribera, Franciscus | jezuïet |
| Sa, Emmanuel | jezuïet |
| Stapleton, Thomas | seculier |
Gezien het totale aantal verschillende auteurs, is deze lijst vrij kort, maar toch selecteerden de vier pastoors te Tilburg hun boeken voor wat betreft de auteurs min of meer op dezelfde wijze, zoals een vergelijking van de gegevens van de reeds eerder besproken tabellen van hun vier Tilburgse boekenlijsten uitwijzen.
Betreffende de tijdsindeling van de auteurs van de vier Tilburgse lijsten valt te constateren dat de pastoors een voorkeur hadden voor recente literatuur. Het merendeel van hun auteurs was afkomstig uit de periode 1500-1650. Bij Eynthouts, Wichmans en Van Dijck lag zelfs de meeste nadruk op de periode 1550-1650. Van Emmerick had als enige voornamelijk auteurs uit de zestiende eeuw en bezat in tegenstelling tot zijn drie confraters ook vrij veel werken van schrijvers uit de periode vóór 500. Verder hadden de vier pastoors te Tilburg geen van allen veel interesse in werken van auteurs uit de Middeleeuwen en de Renaissance.
Een vergelijking van de gegevens over de geografische herkomst van de auteurs van de vier bibliotheken brengt ook geen grote verschillen aan het licht. In elk van de vier bibliotheken was ongeveer de helft van het aantal auteurs van na 500 afkomstig uit de Nederlanden en met name de Zuidelijke Nederlanden. Verder hadden de pastoors vrij veel belangstelling voor Spaanse, Duitse en Italiaanse schrijvers. Bij Van Emmerick, Eynthouts en Wichmans namen van deze drie categorieën die van de Spaanse de belangrijkste plaats in en bij Van Dijck die van de Duitse. De Franse auteurs speelden slechts bij Wichmans een enigszins belangrijke rol.
Ook wat betreft de status van de auteurs hadden de vier pastoors te Tilburg nagenoeg dezelfde interessen. Ze bezaten voornamelijk werken van seculiere en reguliere geestelijken en hadden alle vier ongeveer twee maal zoveel werken van regulieren dan van seculieren. Het aantal werken van regulieren kwam in elk van hun bibliotheken voor de helft op naam van jezuïeten. Eynthouts, Wichmans en Van Dijck hadden zelfs meer werken van jezuïeten dan van seculieren. Van de auteurs van de overige reguliere orden kwamen bij Van Emmerick de dominicanen op de tweede plaats, bij Eynthouts de franciscanen en bij Wichmans en Van Dijck de norbertijnen, op de voet gevolgd door de dominicanen. Geen van de vier pastoors had te Tilburg nog grote interesse in de werken van klassieke auteurs en alleen Van Emmerick had veel belangstelling voor de werken van de kerkvaders.
Volgens de tabellen met gegevens over de spreiding van de werken naar vakgebied, komen de vier bibliotheken qua inhoud alleen in grote lijnen met elkaar overeen. Ze bevatten alle vier een hoog percentage kerkelijke literatuur, gemiddeld 88.6 %, en binnen dat genre is haast iedere categorie in elk van de vier bibliotheken vertegenwoordigd, maar per categorie lopen de afzonderlijk opgegeven percentages nogal uiteen en de nadruk ligt dan ook in de vier bibliotheken niet steeds op dezelfde categorieën. Van Emmerick bezat de meeste werken in de categorie kerkvaders, Eynthouts en Wichmans op het gebied der exegese en Van Dijck in de categorie homiletiek. In de Tilburgse bibliotheek van Van Emmerick speelden verder nog, in volgorde van belangrijkheid, de vakgebieden exegese, moraaltheologie, homiletiek en spiritualiteit een rol en in die van Eynthouts de categorieën controverstheologie en spiritualiteit in gelijke mate, op enige afstand gevolgd door die van de homiletiek, de dogmatische theologie en de moraaltheologie. In de lijst van 1635 van Wichmans namen, na de werken op het gebied van het bijbelcommentaar, die betreffende de homiletiek, de spiritualiteit, de hagiografie en de kerkgeschiedenis de voornaamste plaats in en in de lijst van Van Dijck van 1655 waren na de homiletische werken, de boeken op het gebied van de spiritualiteit en de moraaltheologie het meest nadrukkelijk aanwezig. In het algemeen bezaten dus de pastoors te Tilburg de meeste werken op het gebied van het bijbelcommentaar, de homiletiek en de spiritualiteit. Verder is het zeer opmerkelijk dat de vier pastoors nauwelijks geïnteresseerd waren in werken op het gebied van de pastoraaltheologie en de catechese.
Ook binnen het genre profane literatuur lag in de vier bibliotheken steeds de nadruk op een ander vakgebied. In die van Van Emmerick op de muziek (categorie overigen), in die van Eynthouts op de wetenschappen en in die van Wichmans en Van Dijck op de taal- en letterkunde. Verder namen in de bibliotheken van Van Emmerick en Eynthouts werken op het gebied van taal- en letterkunde verhoudingsgewijs een voorname plaats in en speelden in die van Wichmans en Van Dijck respectievelijk de categorieën profane geschiedenis en wetenschappen nog enigszins een belangrijke rol. Van alle categorieën in het genre profane literatuur was dus die van de taal- en letterkunde het meest constant aanwezig in de vier bibliotheken.
Het verschil in inhoud tussen de vier bibliotheken komt duidelijk naar voren als we nagaan welke boeken door elk van de vier pastoors te Tilburg werden gebruikt, want van de 612 verschillende werken van alle Tilburgse lijsten, kon van slechts twaalf werken met zekerheid worden vastgesteld dat elke Tilburgse pastoor er een exemplaar van in zijn bezit had. De gegevens over deze gemeenschappelijke kern van de vier bibliotheken worden hieronder in een overzicht weergegeven:
Werken die in elk van de vier Tilburgse boekenlijsten van Van Emmerick, Eynthouts, Wichmans en Van Dijck voorkomen: (1618-1655):
| Auteur: | Status: | Titel: | Vakgebied: |
| Alvarez de Paz, J. | jezuïet | De vita rel. inst. | spiritualiteit |
| Azpilcueta, M. de | seculier | Manuale confess. | moraaltheologie |
| Binsfeldius, P. | seculier | Enchr. Theol. past. | pastoraaltheologie |
| Durandus, G. | seculier | Rationale Div. Off. | liturgie |
| Lessius, L. | jezuïet | De Justitia et Jure | moraaltheologie |
| Stapleton, Th. | seculier | Promptuarium morale | homiletiek |
| Stapleton, Th. | seculier | Promptuarium cath. | controverstheologie |
| - | - | Biblia | bijbeluitgaven |
| - | - | Breviarium | liturgie |
| - | - | Concilium Buscoducense | kerkelijk recht |
| - | - | Concilium Mechliniense | kerkelijk recht |
| - | - | Concilium Tridentinum | kerkelijk recht |
Verder bezat Van Emmerick als enige geen uitgave van de ordesstatuten, was in Eynthouts' bibliotheek noch een bijbelconcordantie, noch een missaal aanwezig en ontbrak in de Tilburgse boekenlijst van Wichmans een "Catechismus Romanus".
Als we de lijst van Eynthouts van 1633 buiten beschouwing laten, dan wordt het aantal werken niet veel groter. Slechts de "Kerkelycke Historie" van Dionysius Mudtsaerts OPraem. kan dan nog aan het bovenstaande rijtje worden toegevoegd. Op grond van deze gegevens kunnen we concluderen dat de Tilburgse pastoors erg weinig boeken van elkaar hebben overgenomen en dat de in de aanhef van deze paragraaf gestelde vraag dus ontkennend moet worden beantwoord. Zo eenvoudig ligt deze kwestie echter niet. Een nauwkeurige vergelijking van de vier lijsten onderling wijst dat uit.
Als we de boekenlijst van Eynthouts van 1633 vergelijken met de opgaven van Van Emmerick in zijn inventarissen uit de jaren 1618-1623, dan blijkt dat Eynthouts bibliotheek 36 boeken bevatte die ook in het bezit waren van Van Emmerick. Van die 36 werken had Eynthouts er 25 al in Waalwijk in zijn boekenkast staan.Vergelijk bijlage VIII, 17, 23, 32, 34, 37, 42, 68, 88, 101, 130, 149, 154, 159, 163, 216 en 217 met bijlage VII, 9, 11, 23, 24, 26, 62, 43, 70, 121, 68, 48, 86, 72, 144, 47 en 50 en met bijlage II, 4, 74, 28, 25, 49, 29, 2, 5, 68, 90, 62, 27, 60, 18, 73 en 8. De resterende elf heeft hij dus mogelijk uit Van Emmericks nalatenschap overgenomen. Het betreft zeven werken die Van Emmerick al in 1621 bezat, en wel het "Enchridion Theologiae pastoralis" van Petrus Binsfeldius, het liturgische werkje "Rationale Divinorum Officiorum" van Guilielmus Durandus, twee werkjes van de jezuïet Leonardus Lessius, getiteld: "Quae fides et religio sit capessenda consultatio" en "De Antichristo", het boekje van Henricus Lancelotz OESA over een brief van de apostel Judas, het commentaar van Franciscus Ribera SJ over de boeken der twaalf kleine profeten van het Oude Testament en het "Promptuarium Morale" van Thomas StapletonVergelijk bijlage VIII, 198, 135, 174, 114, 27, 20 en 130 met bijlage II, 17, 84, 63, 66, 10, 83 en 90., en verder vier van de zeven aanwinsten van Van Emmerick uit de jaren 1622 en 1623, te weten "De vita religiosa instituenda" van de jezuïet Jacobus Alvarez de Paz, de "Exhortatio" van Johannes Drusius OPraem., de uitleg van de regel van de H. Augustinus van Laurentius Landtmeter OPraem. en "Via vitae aeternae" van Antonius Sucquet SJ.Vergelijk bijlage VIII, 160, 46, 44, 189 met de opgaven op p. 58.
Een vergelijking van de boekenlijst van Wichmans van 1635 met die van Eynthouts van 1633 lijkt weinig zin te hebben. Eynthouts stelde zijn boekenlijst immers op nadat hij zich als pastoor van Tilburg had teruggetrokken. Hij verbleef echter na 1632 nog regelmatig in Tilburg en bovendien werd hij na zijn dood in Enschot begraven.Zie p. 39. Mogelijk heeft hij dus nog geruime tijd in de pastorie van Tilburg gewoond en daar zijn laatste adem uitgeblazen. In dat geval heeft hij beslist boeken te Tilburg achtergelaten.
Wanneer we de lijst van Wichmans van 1635 naast die van Eynthouts van 1633 leggen, dan blijkt dat er maar liefst 49 dezelfde werken in voorkomen. Van deze 49 werken had Wichmans er al 23 in 1629.Vergelijk bijlage XVIII, 1, 4, 7, 9, 12, 24, 27, 29, 31, 58, 75, 77, 79, 95, 101 en 110 met bijlage XVII, 5, 10, 7, 42, 14, 21, 81, 40, 1, 17, 24, 25, 26, 85, 38, 46, 27 en 55 en met bijlage VIII, 4, 5, 23, 149, 215, 192, 193, 20, 163, 130, 136, 135, 124, 125, 126, 48, 160, 161, 165, 213, 32 en 145. Dit betekent dat Wichmans dus in principe 26 boekwerken van Eynthouts zou kunnen hebben overgenomen. Onder deze werken bevinden zich er echter twaalf waarvan kan worden aangetoond dat Wichmans die ook tijdens zijn pastoraat te Mierlo in zijn bibliotheek kan hebben opgenomen, daar die ook voorkomen in de boekenlijsten van Theodorus Verbraecken, Wichmans' voorganger te Mierlo.Vergelijk bijlage XVIII, 1, 24, 39, 45, 67, 69, 70, 92, 102 en 122 met bijlage VIII, 8, 22, 18, 36, 131, 216, 217, 198, 128, 42, 43 en 33 (zie ook pp. 90-91). Dan blijven er dus slechts veertien werken over waarvan kan worden aangenomen dat ze door Wichmans uit Eynthouts' nalatenschap kunnen zijn overgenomen, namelijk een Duitse en een door Franciscus Haraeus geannoteerde Latijnse bijbel, de "Homiliae Sacrae" van de franciscaan Juan de Carthagena OFM, de "Flores exemplorum" van de jezuïet Antonius Davroultius, waarvan Wichmans al een Franse editie bezat, het commentaar op de evangeliën en op de psalmen van Cornelius Jansenius, bisschop van Gent, het werkje "Notarum Spongia" van diens naamgenoot, de bisschop van Ieperen, het commentaar van de oratoriaan Fabianus Justinianus op het boek Tobias van het Oude Testament, het commentaar van de jezuïet Cornelius a Lapide op het boek der twaalf kleine profeten en op de handelingen van de apostelen, de canonieke brieven en de apocalyps, het bekende werkje "Hortus Pastorum" van de seculier Jacques Marchant, "Vita Sanctae Beggae" van Joseph Geldolphe van Ryckel, abt van de Sint-Gertruda abdij van reguliere augustijner kanunniken, van wie Wichmans verder alle werkjes in zijn boekenkast had staan, "Via vitae aeternae" van de jezuïet Antonius Sucquet en de ordesstatuten, uiteraard die van 1630.Vergelijk bijlage XVIII, 19, 17, 84, 104, 38, 39, 71, 25, 1, 41, 90, 88 en 80 met bijlage VIII, 2, 1, 150, 144, 19, 18, 132, 26, 6, 7, 210, 167, 189 en 45. Omtrent de mogelijke overname van het werkje "La Chronique des Roys de France" van Jean Du Tillet, is elders al geschreven.Zie bijlage VII, 196 (vergelijk bijlage XVIII, 60).
Ondanks het feit dat Van Dijck in zijn Tilburgse inventaris van 1643 geen melding maakte van overname van boeken van zijn voorganger, hetgeen hij zoals we zagen in 1641 als pastoor van Mierlo juist wel uitdrukkelijk deedZie pp. 94-95., kunnen er toch 45 werken worden aangewezen, die zowel op Van Dijcks boekenlijst van 1655 als op die van Wichmans van 1635 voorkomen. Van deze 45 boeken bezat Van Dijck er maar twee al in 1627, namelijk "Rosa Candida et Rubicunda" en "Apotheca spiritualium pharmacorum" van Augustinus Wichmans.Vergelijk bijlage XX, 93 met bijlage XVIII, 75 en met bijlage XIX, 18 en 19. Van de andere 43 is van acht niet helemaal duidelijk of het wel werken betreft die in de lijst van Wichmans van 1635 voorkomen. Het betreft een brevier, een bijbelconcordantie, twee dictaten op het gebied van de theologie en de filosofie, "Fasti Sanctorum Belgici ac Burgundici" en "Chronicon Ordinis Praemonstratensis" van Aubertus Miraeus, een preekbundel van Johannes Bodenus en "La Chronique des Roys de France" van Jean Du Tillet.Vergelijk bijlage XX, 1, 3, 103, 136, 137, 53 en 165 met bijlage XVIII, 27, 21, 50, 97, 92 en 60. Van 35 boekwerken van Van Dijcks lijst van 1655 kan dus gezegd worden dat ze zeker in die van Wichmans van 1635 kunnen worden aangetroffen, maar niet in die van Van Dijck van 1627. Deze 35 werken worden hieronder in een overzicht weergegeven:
Werken die zowel door Wichmans als door Van Dijck in de parochie Tilburg werden gebruikt (1635-1655):
| Auteur: | Titel: | Vakgebied: |
| Azpilcueta, M. de | Manuale confessariorum | moraaltheologie |
| Balinghem, A. van | Kalendarium Marianum | Mariadevotie |
| Bellarminus, R. | Conciones | homiletiek |
| Bellarminus, R. | Disputationes de contr. | controverstheologie |
| Bruno, V. | Meditationes | spiritualiteit |
| Canus, M. | De Locis Theologicis | controverstheologie |
| Coninck, G. de | Comm. de Sacramentis | dogmatische theologie |
| Costerus, F. | Conciones Dominicales | homiletiek |
| Costerus, F. | Conciones Festivales | homiletiek |
| Durandus, G. | Rationale Divinorum Off. | liturgie |
| Hofstadius, A. | Sermones Eucharistici | homiletiek |
| Kramer/Sprenger, H./J. | Malleus maleficarum | moraaltheologie |
| Lapide, Cornelius a | Comm. in pent. Moysis | bijbelcommentaar |
| Lapide, Cornelius a | Comm. in 4 proph. mai. | bijbelcommentaar |
| Lapide, Cornelius a | Comm. in 12 proph. min. | bijbelcommentaar |
| Lapide, Cornelius a | Comm. in Ecclesiasticum | bijbelcommentaar |
| Lapide, Cornelius a | Comm. in Salomonis prov. | bijbelcommentaar |
| Lapide, Cornelius a | Comm. in Acta Apost. | bijbelcommentaar |
| Le Paige, J. | Bibl. Praemonstr. Ord. | ordesgeschiedenis |
| Lipsius, J. | Epistolae | taal- en letterkunde |
| Marchant, J. | Hortus pastorum | pastoraaltheologie |
| Mertz, M. | Norbertus triumphans | hagiografie |
| Molanus, J. | Natales Sanctorum Belg. | hagiografie |
| Molanus, J. | De Picturis et Imaginib. | controverstheologie |
| Paludanus, J. | Apologeticus Marianus | Mariadevotie |
| Paludanus, J. | Officina spiritualis | homiletiek |
| Ribera, F. | Comm. in Apocalipsim | bijbelcommentaar |
| Sterre, J. C. v/d. | Vita S. Norberti | hagiografie |
| Wichmans, A. | Brabantia Mariana | Mariadevotie |
| Wichmans, A. | Sabbatismus Marianus | Mariadevotie |
| Zypaeus, F. | Jus pontificium novum | kerkelijk recht |
| - | Concilium Buscoducense | kerkelijk recht |
| - | Concilium Mechliniense | kerkelijk recht |
| - | Concilium Tridentinum | kerkelijk recht |
| - | Statuta Ord. Praemonstr. | kerkelijk recht |
Uiteraard is het mogelijk dat Van Dijck een aantal van deze werken elders, bijvoorbeeld te Rome of te Mierlo, in zijn bibliotheek heeft opgenomen en dat hij die dus al bezat voordat hij naar Tilburg werd overgeplaatst. Daar staat echter tegenover dat het zeer aannemelijk is dat Wichmans, toen hij in 1642 naar de abdij terugkeerde, slechts een gedeelte van zijn Tilburgse boekenbezit heeft meegenomen, omdat een algehele verhuizing van zijn complete, verspreid over Tilburg en Alphen gehuisveste bibliotheek, gezien de politieke omstandigheden, niet goed mogelijk was.
Uit de omzichtige formulering in bovenstaande uiteenzetting blijkt dat er twijfel bestaat omtrent de overname van genoemde werken door de vier Tilburgse pastoors onderling. De reden daarvan is dat in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag zeer weinig boeken van Tongerlo werden aangetroffen met aantekeningen van opeenvolgende pastoors van eenzelfde parochie. Dit geldt ook voor de dertien werken waarvan kon worden vastgesteld dat ze eens toebehoorden aan een van de Tilburgse pastoors.Zie p. 28. Geen van deze werken bevat aantekeningen van twee of meer van de vier hier behandelde Tilburgse pastoors, hoewel drie van deze dertien boekwerken volgens de bovenstaande informatie aan twee Tilburgse pastoors zouden kunnen hebben toebehoord, namelijk: Flores exemplorum, sive catechismus historialis Douai. J. Bogardus, 1616, 8°, 4 dln., van Antonius Davroultius SJ (KB Den Haag, 528 G 68-70); Bibliotheca Praemonstratensis Ordinis. Parijs, 1633, 2°, van Jean Le Paige OPraem. (KB Den Haag, 549 B 40) en: In librum duodecim prophetarum commentarii, etc. Douai, B. Bellerus, 1611, 4°, van Franciscus Ribera SJ (KB Den Haag, 246 K 19). Het vierdelige werk van Antonius Davroultius zou via Eynthouts' nalatenschap in het bezit van Wichmans kunnen zijn geraakt. Het vierdelige werk bevat echter alleen de naam van Wichmans en verder de aantekening: "pro catechista in Zoerle F. August. Abb. 1644", waaruit blijkt dat Wichmans deze vier bandjes in 1642 meenam naar de abdij. De boeken van Jean Le Paige en Franciscus Ribera zouden door Van Dijck kunnen zijn overgenomen van Wichmans, maar Van Dijcks naam komt in de twee werken niet voor. Het werk van Ribera is waarschijnlijk in 1642 niet in Tilburg achtergebleven. Het bevat namelijk onder andere de aantekening: "ex dono R. D. Augustini Wichmans Praelati sui utitur fr. Johannis Boogaerts 1645 - 16 julii", waaruit blijkt dat Wichmans het in 1645 aan zijn confrater Johannes Bogaerts (1616-1671) in gebruik heeft gegeven.Johannes Bogaerts was afkomstig uit Hoogeloon. Hij legde op 8 december 1640 te Tongerlo de kloostergeloften af, werd in 1647 vicaris te Roosendaal, in 1655 pastoor te Mierlo en keerde in 1663 als pastoor naar Roosendaal terug. Necrologium, 207. Deze informatie maakt duidelijk dat indien er overname van boeken tussen de pastoors onderling heeft plaats gevonden, hetgeen op grond van vergelijkingen van hun boekenlijsten kan worden aangenomen, deze vermoedelijk geen grote aantallen werken betrof en dat er te Tilburg zeker geen hele bibliotheken in andere handen zijn overgegaan, omdat iedere pastoor tijdens zijn loopbaan een zeer persoonlijk boekenbezit had opgebouwd en dit steeds bij zich had gehouden. Deze persoonlijke bibliotheken werden waarschijnlijk alleen aangevuld met werken van voorgangers in bijzondere situaties, of wanneer de pastoors in nieuwe standplaatsen werken van (overleden) voorgangers aantroffen die hen interesseerden en die zij in hun bibliotheken wensten op te nemen. Dit wil echter niet zeggen dat zij deze boeken in eigendom hadden. De norbertijnen hadden de boeken, evenals de gebruiksvoorwerpen, kleding en meubels waarover zij zowel in het klooster als in de pastorieën beschikten, slechts in gebruik. Krachtens de leefregel en de statuten bleven al deze zaken eigendom van de abdijgemeenschap. Van Emmerick bracht dit in zijn inboedelinventaris van 1600 kernachtig onder woorden door de verklaring: "haec omnia communia".
